Op 13 mei 2004 werden in India de stemmen
geteld voor de 13de Loka Sabhâ, het rechtstreeks
verkozen Lagerhuis van het parlement. De kiesverrichtingen
hadden plaatsgevonden op vijf dagen verspreid over de
voorafgaande weken. De zittende coalitie van meer dan
twintig partijen rond de hindoe-nationalistische Indiase
Volkspartij (BJP) had een vlotte overwinning verwacht,
maar werd door de kiezer naar huis gestuurd. Voor alle
politologen was deze uitslag een complete verrassing,
en ook vele astrologen bleken verkeerdelijk op een BJP-overwinning
gewed te hebben. We wisten al dat de politologie een pseudo-wetenschap
is, maar nu blijkt de astrologie geen haar beter te zijn.
De al even bonte links-populistische veelpartijenalliantie
rond de Congrespartij behaalde iets meer zetels, maar
ook geen meerderheid. De Congrespartij zelf ging in stemmenpercentage
zelfs achteruit, en alleen door kartelafspraken kon ze
zetels bijwinnen. Zij kon een regering vormen met de gedoogsteun
van het blok van communistische partijen, die met 60 zetels
op 545 hun beste zetelscore ooit haalden.
Even wat uitleg bij deze stembusgegevens.
De BJP is er nog niet in geslaagd om, zoals de Congrespartij,
in heel India echt aanwezig te zijn. In de zuidelijke
en noordoostelijke staten is zij aangewezen op haar bondgenoten,
die het in deze verkiezing opvallend slecht gedaan hebben,
vooral in de volkrijke staten Andhra en Tamil Nadu. De
BJP zelf hield vrij goed stand, en in verhouding tot het
aantal zetels waarnaar zij effectief gedongen heeft, haalde
de BJP meer zetels dan de Congrespartij.
De communistische partijen staan sterk
in de drie deelstaten Kerala (zuiden), West Bengalen en
Tripura (noordoosten). In West Bengalen vormt de Marxistisch-Communistische
Partij sinds 1977 de deelstaatregering, dit mede doordat
zij andere partijen gewelddadig het functioneren onmogelijk
maakt. Naar gewoonte weigert zij zich te compromitteren
door expliciete regeringsdeelname, maar zal zij haar gedoogsteun
doen betalen met invloedrijke benoemingen in de cultureel-educatieve
sector en met reële invloed op het cultureel en economisch
beleid. Zakenkringen zien deze communistische machtsdeelname
zeer somber in. De internationale media zijn des te goedkeurender:
zij kopiëren sinds lang communistisch-gedomineerde
persorganen zoals het magazine Frontline, dat recent nog
geestdriftige cover-stories bracht over de successen van
het Noord-Koreaanse bewind en van het Chinese bezettingsregime
in Tibet, en dat bv. in De Morgen veruit de meest geciteerde
bron over India is.
De Congrespartij is sinds lang een feodale
partij zonder interne democratische werking, helemaal
gericht op "de dynastie", het partijleiderschap
van de familie Nehru: Jawaharlal Nehru, premier in 1947-64;
zijn dochter Indira Gandhi, 1966-77 en 1980-84; haar zoon
Rajiv Gandhi, 1984-89; diens weduwe Sonia Gandhi-Maino;
en hun zoon Rahul en dochter Priyanka, inmiddels dertigers.
Sonia en Rahul zijn in het nieuwe parlement verkozen;
Priyanka was geen kandidaat maar voerde wel mee campagne.
In sommige regio's is de partij nog slechts een schaduw
en is zij afhankelijk van partners als de Socialistische
Partij van Mulayam Singh Yadav (in Uttar Pradesh) en de
Populistische Partij van Laloo Prasad Yadav (in Bihar).
Premier Sonia
Toen
Sonia Gandhi op 13 mei plots voorbestemd leek om de nieuwe
premier te worden, werd haar buitenlandse oorsprong het
onderwerp van alle politieke gesprekken. Als dochter van
een Turijnse bouwondernemer (en destijds fascist en Oostfrontvrijwilliger)
had zij in 1966 als au pair-meisje in Cambridge verbleven
om wat Engels te leren, en daar was ze Rajiv Gandhi tegengekomen,
die er drie jaar in de ingenieursfaculteit zijn broek
versleet zonder één examen af te leggen.
Ze huwden, maar Sonia maakte geen gebruik van de gelegenheid
om zich tot Indiase te laten naturaliseren. Tijdens politieke
crisissen (Bangladesj-oorlog 1971, Noodtoestand-dictatuur
1975) zocht ze haar toevlucht in Italië of in de
Italiaanse ambassade te Delhi. Pas toen Rajiv in 1984
onverwacht premier werd, vroeg ze de Indiase nationaliteit
aan. Hindi leerde ze pas spreken toen ze na Rajivs dood
tot partijleidster gebombardeerd werd, en zelfs nu leest
ze haar Hindi speeches af van een transcriptie in het
Latijns alfabet. Kortom, niet iedereen gelooft haar wanneer
zij beweert "een Indiase uit vrije keuze" te
zijn.
Volgens
de Nederlandse journalist van Hindoestaans-Surinaamse
afkomst, Anil Ramdas ("India toch", NRC, 24-5-2004),
was het typisch voor het "racisme" van de BJP
dat deze partij zich tegen een premierschap voor Sonia
verzette. Maar de weerstand tegen Sonia was helemaal niet
beperkt tot de BJP. In 1999 mislukte zij in een poging
om de BJP-regering te doen vallen en zelf premier te worden
omdat cruciale bondgenoten haar weigerden te steunen,
ondermeer de machtige demagoog Mulayam Singh Yadav. De
partij-afdeling van Maharashtra onder leiding van Sharad
Pawar scheidde zich zelfs af om de Nationalistische Congrespartij
te vormen uit protest tegen de arrogantie van de buitenlandse
Congresleidster. Als er hier sprake is van "racisme"
is het juist in het ontzag voor een blanke huid bij vele
Sonia-supporters. Zoals politiek commentator Cho Ramaswamy
opgemerkt heeft: de hele commotie over Sonia's mogelijk
premierschap zou er nooit gekomen zij als zij Afrikaanse
geweest was.
Na
een gesprek met president Abdul Kalam (ja, een moslim,
voorgedragen door de BJP) liet Sonia Gandhi weten dat
ze afstand deed van haar ambitie om premier te worden.
In haar plaats werd Manmohan Singh, die India in 1991
als financieminister van het bankroet redde, regeringsleider.
De Indiase pers en haar papegaaien in de internationale
media prezen Sonia's "onthechting" en "verzaking",
een bij uitstek Indiase (zeg maar hindoe-) deugd, en zelfs
kreten over "de heilige Sonia" waren niet van
de lucht. De reden voor haar terugtreden heeft echter
weinig met onthechting of heiligheid te maken, wel met
angst voor gezichtsverlies.
Sonia
Gandhi is gewoon onbekwaam. Toen zij voorzitster van de
Congrespartij werd, moesten journalisten, die haar als
leidster van de anti-BJP-krachten wel gunstig gezind waren,
haar echt coachen in de kunst van het interview, en dit
dan met heel ongevaarlijke vragen. Nooit heeft zij een
origineel politiek statement geformuleerd, nooit heeft
zij een debat gevoerd, nooit heeft zij een eigen gedachte
op papier gezet. Haar supporters hebben vaak de vergelijking
gemaakt met andere Westerse vrouwen die hun lot aan India
verbonden hebben, bv. Annie Besant die rond 1920 een prominent
woordvoerster van het Indiaas Nationaal Congres was. Maar
vóór Annie Besant naar India kwam, had zij
in Engeland reeds naam gemaakt als auteur en leidster
van diverse progressieve bewegingen; en in India had zij
haar heel eigen bijdrage aan de antikoloniale agitatie.
Tegen haar steekt Sonia Gandhi juist af als een hersenloos
poppetje dat louter door haar relaties naar de voorgrond
geschoven is. In de functie van premier van een complex
land als India zou zij meteen door de mand vallen.
Verder
is haar blazoen allerminst onbevlekt, en het premierschap
zou daar alleen extra de aandacht op gevestigd hebben.
Haar man was reeds in diverse politiek-financiële
schandalen betrokken, waarvan zij er enkele "geërfd"
heeft. Zij is voorzitster van diverse kapitaalkrachtige
stichtingen, zoals de Rajiv Gandhi Foundation, waarbinnen
de geldstromen nogal ondoorzichtig zijn en dus de nieuwsgierigheid
opwekken. Verder is de verdenking geuit dat deze stichtingen
anti-nationale krachten financieren, ondermeer academici
die het Kasjmiri separatisme steunen.
Sonia's
patriotisme is sowieso erg suspect, zelfs als haar naturalisatiedossier
helemaal in orde zou blijken te zijn. Bij crisissen heeft
zij zich gedragen als een buitenlandse reizigster die
zich altijd in haar thuisland aan de ellende kon onttrekken,
niet als een Indiase die zich met het lot van India vereenzelvigde.
Tijdens de Pakistaanse invasie in Kargil (zomer 1999)
liet zij zich laatdunkend uit over het regeringsbeleid
en over de strategie van het Indiase leger. Juist toen
ging zij in op een uitnodiging van het Islamitisch Instituut
te Oxford, gefinancierd door de familie Bin Laden, om
er een speech af te lezen waarin zij de Indiase moslims
als arme slachtoffers van een intolerante hindoe-meerderheid
en een onderdrukkende regering afschilderde. Haar uitspraken
over vermeend onrecht jegens de moslims van Kasjmir (massaal
medeplichtig aan de volledige etnische zuivering van de
plaatselijke hindoe-minderheid in 1990) konden integraal
overgenomen worden in alle Pakistaanse propaganda tegen
India. Het is dan ook een publiek geheim dat er in het
leger grote onvrede bestond bij het vooruitzicht van een
deloyale figuur als Sonia Gandhi als regeringsleidster.
Net als bij de BJP en in grote delen van haar eigen partijenalliantie.
De fouten van de BJP
Waaraan heeft de BJP nu juist haar nederlaag
te wijten? Het antwoord lijkt me vooral te zijn, dat ze
zichzelf ontrouw geworden is. Als hindoe-partij had ze
eerst en vooral enkele haalbare hindoe-eisen moeten inwilligen.
Ik bedoel dan niet de echt fundamentele projecten zoals
de uitzetting van de twintig miljoen illegale immigranten
uit Bangladesj of de invoering van één algemeengeldige
familiewetgeving ter vervanging van de huidige vier parallelle
systemen naargelang godsdienst; want daartoe stond de
BJP gewoon niet sterk genoeg. De sjari'a voor moslims
afschaffen zou een massale moslimrevolte veroorzaken,
een risico dat niemand wil nemen. Wel waren beperktere
zaken mogelijk, zoals de hervestiging van het kwart miljoen
Kasjmiri hindoe-vluchtelingen in Kasjmir; de teruggave
van de controle over en de inkomsten van hindoe-tempels
aan tempelstichtingen (terwijl moskeeën gevrijwaard
zijn van overheidsbemoeienis, zeg maar plundering); of
de officiële erkenning dat hindoe-scholen dezelfde
rechten en autonomie moeten genieten als scholen van minderheden.
Maar de BJP heeft net het omgekeerde gedaan. "Schaf
de subsidies aan de bedevaart naar Mekka af" (overigens
subsidies die in geen enkel moslimland bestaan), zo eisten
BJP-militanten destijds; maar eens aan de macht heeft
de BJP die subsidie alleen maar drastisch verhoogd. De
Bangladesji illegalen terugsturen? Geen enkele is er moeten
vertrekken. Binnenlandminister L.K. Advani, steeds afgeschilderd
als een man van de harde lijn, stelde integendeel voor
om hen een arbeidsvergunning te geven. Zelfs louter symbolische
beloften zoals het omdopen van de hoofdstad Delhi tot
haar oude naam Indraprastha bleven in de schuif. Vroeger
verweet de BJP aan de Congrespartij, een beleid van "Muslim
appeasement" te voeren, maar dat was nu haar eigen
beleid. Voor de jongste verkiezingen trachtte ze zoveel
mogelijk moslims op haar lijsten te krijgen en gingen
haar leiders bij moslimclerici bedelen om een fotogeniek
schouderklopje.
Al
die pogingen om een moslimvriendelijk imago te verwerven
hebben natuurlijk niets uitgehaald. Noch in de media,
die het aloude BJP-vijandbeeld zijn blijven cultiveren,
noch bij de moslimkiezer, die overal strategisch gestemd
heeft voor de kandidaat die het best geplaatst was om
de BJP-kandidaat te verslaan. Het enige effect was dat
de BJP-militanten en vooral de militanten van bevriende
organisaties die normaal de BJP-verkiezingscampagnes steunden,
geen animo hadden om voor de BJP te werken. De partij
heeft het altijd van haar zeer actieve kaders moeten hebben,
en nu de partij meer op propaganda via de nieuwe commerciële
TV-stations rekende, is nog eens duidelijk gebleken dat
de persoonlijke contacten van militanten met het kiezerskorps
onvervangbaar zijn, toch in een land als India waar mensen
nog met hun buren praten. Als je in een poging om je electoraal
bereik uit te breiden je natuurlijke kernbasis verwaarloost
of zelfs schoffeert, dan krijg je een resultaat als op
13 mei: de ouden haken af en de nieuwen happen niet toe.
De
BJP is zichzelf ook in een andere zin ontrouw geworden.
Van een partij die levensbeschouwelijke thema's centraal
stelde, werd zij tot de partij van de homo economicus,
toch bij uitstek de tegenpool van elk levensbeschouwelijke
(of etnische of andere) identiteitsbevestiging. De campagneslogan
"Bhârat uday"/"India shining"
betrof enkel en alleen de recente technologische en economische
successen van het land. Daarmee dacht de BJP weer eens
voldoende afstand genomen te hebben van haar hinderlijke
imago als gehate hindoepartij in ruil voor een nieuwe
gladdere identiteit als seculiere liberale partij.
Die
"feelgood factor" raakte wel een snaar bij de
nieuwe stedelijke middenklasse, maar deze bleef op de
verkiezingsdag massaal thuis. Gearriveerde bourgeois denken
blijkbaar dat zij hun politieke voorkeur door anderen
op de kiesbrief kunnen laten invullen. In ieder geval
wekte de zelfgenoegzaamheid van de Amerikaans ogende BJP-campagne
weinig sympathie op, zelfs niet bij degenen die het meest
voordeel hadden bij het BJP-beleid. De landlieden die
voorlopig niet van de nieuwe rijkdom hebben kunnen profiteren,
vroegen zich inmiddels af: "Blinkt India ook voor
mij?" Zij stemden massaal voor de linkse oppositie,
ook al reikte die alleen gedateerde of algeheel illusoire
oplossingen aan. En zo leverde ook de herprofilering als
seculier-liberale partij de BJP alleen maar verlies op.
De les voor andere partijen wereldwijd is evident. Ontwikkel
een volledig profiel waarin de diverse dimensies van het
maatschappelijk leven een plaats hebben, het culturele
en levensbeschouwelijke evengoed als het sociaal-economische.
Kiezers voelen zich niet graag als louter consumerende
varkens bejegend. En blijf trouw aan de basisideologie
en aan de daardoor gemotiveerde kerngroep van militanten
die de partij opgebouwd hebben en haar huidige ambities
bereikbaar gemaakt hebben. Bij goed weer kan je ook andere
groepen aantrekken, maar als je de kerngroep verwaarloost,
zullen de nieuwkomers het verlies niet goedmaken.
Koenraad ELST
(Kader:)
Nuttige idioten in de berichtgeving
over India
(Dit stuk is een reactie op een tekst van
Wim Brummelman, Delhi-correspondent voor het NRC-Handelsblad;
aangeboden aan de redactie van NRC-Handelsblad op 7 juni,
maar niets meer van gehoord)
Tijdens
Stalins Oekraïense hongergenocide in 1932-33 kwamen
zo'n 7 miljoen mensen om het leven. Walter Duranty, correspondent
van de New York Times, was ter plaatse en schreef dat
er niets aan de hand was. Het leverde hem een exclusief
interview met Stalin op, en de Pulitzer Prize. Vandaag,
60 jaar later, moeten we machteloos vaststellen dat de
talloze intellectuelen die samen met Duranty de Sovjet-misdaden
ontkend hebben, weggekomen zijn zonder enige vorm van
sanctie voor hun leugens. Maar we zijn tenminste zover
dat niemand hun leugens nog herhaalt: ze zijn algemeen
erkend en vaak het voorwerp van spot meer nog dan van
verontwaardiging.
De
onzin die het hele correspondentengilde de jongste decennia
over India geschreven heeft, betreft minder omvangrijke
drama's en verdient in die zin minder verontwaardiging,
maar zal over veel minder dan 60 jaar wel evenzeer het
voorwerp van spot zijn. Ik heb hier nipt de ruimte om
drie voorbeelden te belichten uit het stuk "Moslims
India: eindelijk hoop" van Wim Brummelman (NRC, 1
juni 2004).
Het
artikel is volledig gebouwd rond uitspraken van "advocaat"
Syed Shahabuddin. Merkwaardig genoeg blijft onvermeld
dat Shahabuddin een sleutelrol gespeeld heeft in een zaak
die de Westerse opinie diepgaand geschokt heeft: de vervolging
van Salman Rushdie wegens diens boek De Duivelsverzen.
In september 1988 kondigde Shahabuddin een moslim-mars
op Ayodhya aan voor de datum waarop daar reeds een hindoe-manifestatie
gepland was. De Indiase regering, bevreesd voor een bloedbad,
vroeg hem in ruil voor welke concessies hij bereid zou
zijn om zijn mars af te blazen. Zo verkreeg hij ondermeer
het verbod op het boek van Rushdie. Dat bracht de sneeuwbal
aan het rollen die zou leiden tot het doodvonnis door
Ayatollah Chomeini.
Shahabuddin
was de jongste twintig jaar actief in nagenoeg elke moslim-extremistische
agitatie, te beginnen in 1985 met de campagne tegen de
rechterlijke uitspraak die aan een verstoten moslimvrouw,
Shah Bano, het recht op alimentatie vanwege haar echtgenoot
toekende. De strekking-Shahabuddin kreeg de regering zover
om de wetgeving nader op de sjari'a af te stemmen en gescheiden
moslimmannen vrij te stellen van de plicht tot alimentatie.
Waarom
noemt Brummelman Shahabuddin niet gewoon een "fanaticus"?
Als die term nog een betekenis heeft, dan is het louter
objectiviteit om hem op Shahabuddin toe te passen. Brummelman
is alvast niet bang om de term te gebruiken voor anderen,
namelijk "hindoe-fanatici", aan wie hij de gelegenheid
om ook hun versie te geven echter wel ontzegt.
Hij gaat liever verder met het klakkeloos napraten van
uiterst partijdige bronnen als Shahabuddin, ondermeer
met deze bewering: "Archeologen hebben na jaren graven
nog geen bewijzen aangetroffen voor de vroegere aanwezigheid
van een hindoetempel" op de betwiste tempel/moskeeplaats
in Ayodhya. Integendeel: nadat eerdere opgravingen, één
accidentele en twee professionele, al tientallen bewijsstukken
voor die vroegere hindoetempel aan het licht gebracht
hadden, beval de rechtbank begin 2003 een grondige opgraving
van de hele site. Het team van de Archaeological Survey
of India zette gedurende maanden meer dan honderd mensen
aan het werk, onder wie ongeveer een kwart moslims, en
kwam in zijn rapport tot ondubbelzinnige besluiten.
Ik
heb hier niet de ruimte om de ASI-bewijzen te presenteren,
maar het zegt wel genoeg dat aloude tegenstanders van
de tempel, zoals de marxistisch-leninistische historicus
Irfan Habib, en zoals natuurlijk onze advocaat Shahabuddin,
op de ASI-bevindingen reageerden als slechte verliezers
met geschreeuw over "pro-hindoe partijdigheid"
van het ASI-team. Tijdens de opgravingen hadden de kranten
dagelijks zorgvuldig gemeld hoeveel mensen eraan meewerkten,
en hoevelen onder hen moslim waren. Zaten die ook allemaal
mee in het complot van die lelijke stoute hindoe-archeologen?
Tot
de jaren 1980 waren alle partijen, ook moslims en westerlingen,
het eens over de geschiedenis van de omstreden plek, namelijk
dat een Rama-tempel er met geweld door een moskee vervangen
was. Een gerechtelijke betwisting uit 1886 bijvoorbeeld
betrof alleen de vraag of hindoes na eeuwen moslimbezetting
van de site nog rechten konden doen gelden (de Britse
rechter vond van niet), maar niemand betwistte dat er
een tempel gestaan had, zoals door vele documenten uitgewezen
wordt. In de volledig kunstmatige antitempelpolemiek van
de jongste jaren is nooit zelfs maar één
bewijsstuk getoond voor een alternatief scenario, bv.
dat de moskee er kwam na vreedzame aankoop van het terrein,
na het rooien van een bos of wat dan ook. Al wat Shahabuddin
en de zijnen konden doen, was het toenemend bewijsdossier
voor de verwoeste tempel buiten de aandacht houden of
de legitieme deskundigen belasteren. Gelukkig vonden ze
altijd gretige media-afnemers voor hun versie, die immers
zo mooi past in het vigerende vijandbeeld van het hindoe-nationalisme.
Tenslotte
herneemt Brummelman nog eens de bewering dat in de rellen
in Gujarat in maart 2002 "ruim tweeduizend moslims
afgeslacht" zijn. Dat cijfer komt van buitenlandse
NGOs, van wie alleen kerstekinderen geloven dat ze zich
uit zuiver idealisme en zonder politieke agenda met India
bemoeien. Er is niets mis met het officiële cijfer
van ruim achthonderd slachtoffers, van wie een kwart hindoes.
Maar we gaan er niet over vitten: tweeduizend, dat is
nog altijd minder dan de drieduizend sikhs die in 1984
afgeslacht zijn door militanten van de Congrespartij uit
wraak voor de moord op Indira Gandhi. Wat Shahabuddin
niet belet heeft om tot de Congrespartij toe te treden.
Aftredend premier Vajpayee van de verfoeide BJP redde
toen persoonlijk het leven van een sikh-taxichauffeur.
Jaarlijks
komen ettelijke honderden hindoes om bij aanslagen door
islamistische en maoïstische strijders. In de allermeeste
gevallen leidt dit niet tot enige represaille, zelfs niet
als het doelwit religieus of politiek sterk symbolisch
geladen is, bv. de aanslagen tegen de jaarlijkse Amarnath-bedevaart
(meermalen), het parlementsgebouw in Delhi (december 2002),
de meeting van BJP-leider Advani in Coimbatore (februari
1998, 40 doden) of de Akshardham-tempel in Gujarat (september
2002, 35 doden). De rellen in Gujarat van maart 2002 waren
echter wel een represaille. Hoe betreurenswaardig dat
ontypische verlies aan zelfbeheersing door de hindoes
ook was, het was niet meer dan "een wraakneming op
[sic] het in brand steken van een trein met hindoe-activisten
die terugkeerden uit Ayodhya" waarbij "58 hindoes
verbrandden".
In
de uitgebrande wagon zaten vooral vrouwen en kinderen,
dat zijn dus Brummelmans "activisten". De voorafgaande
dagen, tijdens hun verblijf in Ayodhya, waren daar geen
bijzondere agitatie noch rellen. Sommige media hebben
werkelijk elke steen omgedraaid om een verschoning of
rechtvaardiging te vinden voor de moord op 58 onschuldige
hindoes (te contrasteren met de "genocide" op
de moslims nadien), maar zelfs zij hebben geen enkel bewijs
bovengehaald voor het "activisme" van de betrokkenen.
Die term dient hier enkel als leep trucje vanwege de Shahabuddins
dezer wereld, overgenomen door hun naïeve interviewers,
om de schuld voor deze pogrom op de slachtoffers af te
schuiven.
Ik
zou de hoofdredacteur van de NRC willen vragen om alerter
te zijn voor dit soort impliciete maar daarom niet minder
krasse partijdigheid in de bijdragen van zijn correspondenten.
India verdient beter, en de lezer ook.