5. De straf voor het beledigen
van de profeet
5.1. "Dood aan Satan Rushdie"
Toen in 1988 een uitgever te Delhi een Indiase uitgave
voorbereidde van het in Engeland pas verschenen boek The
Satanic Verses van de Brits-Indiase schrijver Salman
Rushdie, ried zijn literaire adviseur Choesjwant Singh
hem deze uitgave met aandrang af. Deze bejaarde schrijver
was net zo'n verwesterste vrijzinnige als Rushdie zelf,
maar hij vond de uitgave onverantwoord, omdat de inhoud
van het boek tot rellen zou leiden. Er zijn vrijzinnigen
die zo'n boek dan juist tegen alle pogingen tot censuur
en zelfcensuur zouden verdedigen, maar er zijn er ook
andere. Singh kreeg in ieder geval gelijk.
De moslimwereld reageerde zeer heftig toen meer bekend
raakte over de inhoud van Rushdies boek. India verbood
als eerste land het boek op aandringen van Sajjed Sjahaboeddien,
ex-diplomaat en politicus van de centrum-linkse Djanata
Dal (Volkspartij), in september 1988. Merkwaardig
genoeg zit de genoemde Choesjwant Singh ook in de adviesraad
van Sjahaboeddiens maandblad Muslim India, en vond hij
het niet nodig om b.v. uit die funktie ontslag te nemen;
in India gaan vrijzinnig progressisme en islam-zoollikkerij
vaak hand in hand, en het verdere verloop van deze affaire
toonde aan dat het bij ons niet beter is.
Na India volgden praktisch alle islamitische staten met
een gelijkaardig verbod. In Groot-Brittannië zetten moslims
akties op het getouw om het boek ook daar te doen verbieden,
en in Bradford werd het boek openbaar verbrand. (Laat
de klagers over de negatieve beeldvorming betreffende
de islam tenminste toegeven dat als dit soort beelden
van boekverbrandingen bij het publiek een indruk van fanatisme
geeft, dat dan heus niet aan de media ligt.) Dit was reeds
een krachtige reaktie die slechts weinige boeken te beurt
valt, maar voor ajatollah Chomeini nog niet krachtig genoeg.
Hij veroordeelde Rushdie op 14 februari 1989 ter dood,
en zijn vonnis werd prompt geestdriftig onthaald en bijgetreden
door Moslim-betogers in vele steden, met slogans als :
"We will kill Satan Rushdie".
Wie tegenwoordig de woorden "vrijdenker" en "islam" naast
elkaar zet, denkt meteen aan Salman Rushdie, die door
de ajatollahs naar de hel verwenst is. Als linkse rakker
wordt hij echter ook door niet-moslim konservatieven uitgespuwd,
b.v. door Mervyn Hiskett : "De Duivelsverzen spot
niet alleen met Mohammed, maar ook met hindoes en sikhs,
fatsoensbewuste ouders, Britse beambten en het Britse
landleven. Het is één aanklacht tegen elke kultuur en
elke maatschappelijke instelling waarmee hij ooit in aanraking
geweest is." (1) Hiskett ontwaart doorheen dit boek vooral
"het hele destruktieve progressieve milieutje dat Rushdies
attitudes gevormd heeft". Mede daarom steunden ook kollega-auteurs
als John LeCarré en vooral belijdende christenen de eis
om het boek te verbieden. Aldus b.v. oud-president Jimmy
Carter, de soft-brain die door zijn verraad aan
de sjah en diens wanhopige demokratizeringspoging onder
premier Sjapoer Bachtiar de ajatollahs aan de macht bracht.
(2)
Terwijl de buitenwereld gaandeweg de belangstelling verloor,
waren moslims zich bewust van het diepgaande en duurzame
belang van de affaire. Zo wijdde het pas opgerichte Britse
moslim-parlement in 1992 een bespreking aan Rushdie. Het
noemde hem "een egoïstisch, verwaand, arrogant en verachtelijk
personage, dat geen recht heeft op de vrije meningsuiting
die hij zegt te respekteren". (3)
Kalim Siddiqui, stichter van dat parlement, bevestigde
tijdens zijn toespraak op de Europese Moslim-Konferentie
te Genk (april 1992) dat dit moslim-parlement zelf in
zekere zin zijn bestaan aan de Rushdie-zaak dankt : "Het
is geen toeval dat het moslim-parlement dit jaar opgericht
is. Wij hadden een grote gebeurtenis nodig. De laatste
500 jaar moslimgeschiedenis waren zonder revolutie, en
daarom ook een periode van neergang. De grote gebeurtenis
die wij nodig hadden, is gekreëerd door het boek De
Duivelsverzen. Dat was niet het werk van één auteur.
Dat boek was het resultaat van een samenzwering. (4) En
dit is het motief : het Westen wilde Mohammed reduceren
tot het niveau van andere mensen, het wilde zeggen dat
'Mohammed maar een gewoon man was, onderhevig aan vleselijke
lusten enz.' Het Westen heeft altijd getracht de islam
te verdraaien (via de oriëntalisten), maar één barrière
heeft het altijd op zijn weg gevonden : de liefde van
de moslims voor Mohammed. De Duivelsverzen is een poging
om deze barrière te breken."
Siddiqui herbevestigde tijdens deze toespraak zijn welbekende
banvloek tegen Rushdie, en plaatste de affaire in een
breder strategisch perspektief : "Wat wij tegen De
Duivelsverzen gedaan hebben, is een revolutie. We
hebben duidelijk gemaakt dat we noch het boek noch zijn
auteur zullen dulden." (massaal applaus)
Siddiqui had voor de BBC-kamera de moslims ertoe opgeroepen,
Rushdie te vermoorden. Ook ander Britse moslim-leiders
hebben deze moordoproep op openbare bijeenkomsten uitgesproken
- onmiskenbaar een strafbaar feit. Maar toen het Hogerhuis
moest beslissen over een eventuele gerechtelijke vervolging,
oordeelde het dat er daarvoor geen grond was, dit tot
verontwaardiging van Rushdie. Kalim Siddiqui is niet weinig
fier op dit sukses : "Wij zijn ervan beschuldigd, de wet
te overtreden. Wij zeiden : okee, kom ons maar arresteren.
De Britse regering heeft de moed niet om ons te arresteren
en te berechten. (massaal applaus) Wij zijn de enigen
die pal gestaan hebben. Rushdie, de regering, de media,
ze hebben allemaal hun positie gewijzigd. De recente publikatie
van de paperback-uitgave door een konsortium toont hoe
moedig ze wel zijn : ze verbergen hun identiteit."
De slapte van de Britse overheid tegen de tot moord oproepende
moslimleiders illustreert hoe de terreur tegen kritici
van Mohammed en de islam mede wordt mogelijk gemaakt door
de medeplichtigheid van het Westen. Er is natuurlijk
de medeplichtigheid van de regeringen, die als verontschuldiging
kunnen aanvoeren dat zij hun zorg om de vrije meningsuiting
met andere bekommernissen moeten verzoenen. Maar veel
ernstiger lijkt mij de medeplichtigheid van de Westerse
intellektuelen, wier dooddoeners tegen islamkritiek een
zeer reële aanmoediging vormen voor de moedjahedien. Degenen
die de terreur tegen vrijdenkers willen verantwoorden,
hoeven immers maar te verwijzen naar de talloze Westerse
publikaties waarin alle kritiek op de islam als "vooroordeel"
van de hand gewezen wordt. Het is mede dankzij de pro-
islamitische stroming in het Westen, dat deze vrijzinnigen
"lasteraars" genoemd worden, - mensen die "het zelf gezocht
hebben" als zij een schietschijf voor moordkommando's
worden.
5.2. Wat scheelt er met De Duivelsverzen ?
Westerse kommentatoren trachtten de oorzaak van de kommotie
rond De Duivelsverzen elders te zoeken dan waar
de betrokkenen ze zelf legden. Het heette dat Rushdie
het slachtoffer was van de machtsstrijd tussen Iran en
Saoedi-Arabië, of dat de ajatollahs hem gekozen hadden
als nieuw objekt van georkestreerde volkswoede ter vervanging
van Saddam Hoessein na het einde van de Golfoorlog. Tja,
deze kommentatoren zijn wat men noemt "diepe denkers",
mensen die altijd iets anders zien dan wat er te zien
is. Voor hen is het nooit wat het is, er zit altijd iets
anders achter. In ieder geval doen hun maneuvers niet
meer dan de vraag een beetje opschuiven, zodat wie doordenkt
uiteindelijk toch bij hetzelfde antwoord uitkomt. Want
stel nu dat Rushdie niet het slachtoffer is van oprecht
islamitische verontwaardiging annex straf, maar van de
genoemde politieke machtsspelletjes : hoe komt het dan
dat juist hij en juist zijn boek zich hiertoe lenen ?
Juist omdat zijn boek inderdaad als een frontale aanval
op de Profeet kan beschouwd worden en dan ook de heftigste
islamitische verontwaardiging oproept.
Wat was er dan zo erg aan Rushdies boek De Duivelsverzen
? Het bevat fiction die slechts onrechtstreeks doch
onmiskenbaar naar de islamgeschiedenis verwijst, via de
namen van enkele karakters, zoals Mahound, Mohammeds
scheldnaam in middeleeuwse pamfletten. Rushdie kan moeilijk
ontkennen dat hij hiermee naar de non-fiction wereld
knipoogt, net als met de bordeelscène waarin de hoeren
naar Mohammeds vrouwen genoemd zijn. Hij spot met Mohammed,
terwijl toch een Perzisch spreekwoord zegt : "Je mag grappen
maken over God, maar wees voorzichtig met Mohammed."
Zelfs wie, zoals de meeste betogende en banvloekende moslims,
het boek niet gelezen heeft, en alleen gehoord heeft dat
er een bordeelscène in voorkomt waarin de hoeren de naam
van de vrouwen van de Profeet aannemen, heeft eigenlijk
voldoende informatie om te begrijpen wat er nu zo schokkend
is aan De Duivelsverzen. "Men hoeft niet in de
mesthoop te springen om te weten dat hij stinkt", aldus
Chomeini. Dat gegeven van de arties tennamen van de hoeren,
daar zit het eigenlijk allemaal in. Er zijn namelijk twee
dingen aan die niet door de beugel kunnen, één voor de
hand liggend, en één meer gesofistikeerd.
De simpele reden om tegen de bordeelscène te protesteren,
is dat Mohammed via de naam van zijn vrouwen in onzedelijkheid
betrokken wordt. Er wordt wel niets gezegd over Mohammed,
zelfs niet over zijn vrouwen, en niemand draagt blaam
of schuld wanneer een derde zijn naam gebruikt. Maar gewoon
de verbale konnektie is al blasfemisch genoeg.
De meer inside reden voor een oppassend moslim om aanstoot
te nemen aan de bordeelpassus van De Duivelsverzen,
zit besloten in het antwoord op de vraag : maar waaròm
dragen de hoeren de naam van de vrouwen van de Profeet
? De echte reden voor deze parodie op Mohammeds vrouwen
binnen Rushdies verhaal is dat de verslagen heidenen geen
andere reaktie tegen de zegevierende Mahound overblijft,
dan de spot met hem te drijven. Daarom bedingen ze bij
hem, hun bordeel nog één jaar te mogen openhouden, een
toespeling op Mohammeds belofte dat de Mekkanen na hun
overgave nog één jaar binnenshuis hun heidense goden mochten
aanbidden. En vervolgens drijven ze in de ruimte die hen
rest de spot met hem. Wat Salman Rushdie's verhaal hier
verbeeldt, is de reaktie van de overwonnenen van Mohammed,
van de slachtoffers van de islam. Dat is een kategorie
die verder buiten alle Vergelijkende Godsdienstwetenschap
en alle inter-religieuze dialoog gehouden wordt : de voor-islamitische
heidenen van Arabië, de eerste doch geenszins de laatste
slachtoffers van de islam. Hier krijgen zij heel eventjes
een stem.
Minder opgemerkt dan deze oneerbiedigheden, maar van dezelfde
strekking, zijn Rushdies toespelingen op Aboe Sofjaan,
de leider van de Mekkaanse heidenen, en diens vrouw Hind,
de pasionaria van het verzet tegen Mohammeds subversie
van hun pluralistische samenleving. Hiermee heeft Rushdie
heel terloops de aandacht getrokken op een nooit gehoorde
en veel belasterde betrokkene : de oorspronkelijke Arabische
kul tuur die er niet meer is om zich te verdedigen, en
die door de islam als djahilija, "dwaling", wordt afgedaan,
in Rushdies verhaal meteen de naam van de stad waarin
men Mekka herkent. In heel de geschiedschrijving van de
islam, ook door Westerse islamologen, bekijkt men de zaak
praktisch uitsluitend door de ogen van de moslims, en
nu we Columbus door de ogen van de Indianen leren zien,
is het inderdaad tijd om ons ook eens het standpunt van
de slachtoffers van de islam eigen te maken. (5)
Het is merkwaardig dat christenen en vrijzinnigen vandaag
de laster tegen de door Mohammed vermoorde Arabische kultuur
klakkeloos overnemen om de islam in een beter daglicht
te stellen, b.v. met de onjuiste maar veelgehoorde bewering
: "De positie van de vrouw in de islam is niet ideaal,
maar toch een grote vooruitgang tegenover de vóór-islamitische
tijd." Nu men de islam tot begunstigde van de multikulturele
samenleving wil maken, moet men een draai geven aan het
historisch feit dat de islam in Arabië en ondermeer ook
in Centraal-Azië de bestaande pluralistische beschavingen
vernietigd heeft. Het enige dat men de Arabische heidenen
kwalijk kan nemen, is dat ze de strijd tegen Mohammed
verloren hebben; maar we hebben in de twintigste eeuw
toch zelf gezien hoe moeilijk het was om het vastberaden
gangsterisme van Lenin, Hitler en Mao te stuiten.
Toen de Mekkanen tegen Mohammeds overmacht niet meer opkonden,
kozen zij de overgave ("islaam") als minste kwaad,
want zij waren pragmatici en wensten geen martelaarschap.
Aboe Sofjaan werd het prototype van de mensen die zich
onder druk tot de islam lieten bekeren, zoals op zeker
ogenblik ook (en tevergeefs) Rushdie zelf, en zoals de
meeste islam-bekeerlingen in de geschiedenis. Hij deed
er een goede zaak aan, want zijn zoon Moe'awija won het
van Mohammeds neef Ali en diens zoon Hoessein in de strijd
om het erfelijk wordend kalifaat.
De titel De Duivelsverzen verwijst naar de "geopenbaarde"
verzen die Mohammed achteraf aan de duivel toeschreef,
wat het onbetrouwbare karakter van de hele Koran-openbaring
illustreerde. Op Koranvers 53:19-20, "Hebt gij dan gezien
al-Laat en al-Oezza en Manaat, de derde, de andere ?"
volgde oorspronkelijk : "Dit zijn de hoogverheven zwanen,
en op hun voorspraak wordt voorzeker gehoopt." Mohammed
probeerde wanhopig om de Mekkaanse elite voor zijn boodschap
te winnen (waarin, en deze episode bewijst het, minder
het monotheïsme danwel zijn eigen profeetschap centraal
stond), en door die "openbaring" maakte hij een kompromis
met de polytheïsten, n.l. door de godinnen in zijn theologie
te koöpteren als middelaressen van Allah. Toen hij hiervoor
bekritizeerd werd door zijn eigen volgelingen, en hij
het onhoudbare van dit kompromis inzag, kwam er prompt
een nieuwe openbaring van Gabriël, met de uitleg dat dat
vers eigenlijk door de duivel ingegeven geweest was.
De Mekkanen vonden zijn "openbaringen" toch al doorgestoken
kaart, en deze episode maakte het er niet beter op. Als
hij nu zelf al beweerde dat hij zich soms door de duivel
liet beetnemen, waarom zouden al die andere openbaringen
dan wèl als authentiek moeten beschouwd worden ? Voor
islam-theologen was dit in vraag stellen van de Koran-openbaring
het meest aanstootgevende in Rushdies boek. De Duivels
verzen ondermijnen de kern van de islam : het geloof
dat Mohammed Gods zegsman was. Zij zijn dan ook erg hinderlijk
voor degenen die een sussende oppervlakkigheid jegens
de islam propageren, en met dooddoeners de fundamentele
kritiek willen smoren waar de Rushdie-zaak ons toe verplicht.
5.3. Is Rushdie doden islamitisch ?
Bij elke verjaardag van Ajatollah Chomeini's doodvonnis
tegen Salman Rushdie (14 februari 1989) houden spraakmakers
ons met hernieuwde ijver voor dat Rushdie vermoorden "on-islamitisch"
zou zijn. Zij verwijzen naar een steunbetuiging vanwege
ruim honderd moslim-intellektuelen (b.v. Tahar Ben Jelloun,
Amin Maalouf), die met ditzelfde argument het doodvonnis
veroordelen. Dezen blijken echter tot het verwesterste
circuit te behoren en absoluut niet representatief of
gezaghebbend te zijn voor de islam-doktrine. Sommigen
van hen zijn zelf door de integristen met de dood bedreigd,
b.v. Nagieb Mahfoez, die in 1994 bij een aanslag zwaar
gewond werd. Uit orthodokse kring is wat louter formalistische
kritiek gekomen op Chomeini's vermeende procedurefouten
(m.n. van twee van zijn kollega's ajatollah, beiden overigens
buiten Iran woonachtig), maar is inmiddels voldoende bevestigd
dat de islam-wet wel degelijk de dood eist tegen alwie
de islam en de profeet beledigt.
Het Centrum voor Vredestheologie van de KUL organizeerde
op 1 maart 1989 een kollokwium over "Strijden op de weg
van Jahweh, God, Allah !? De 'heilige oorlog' in jodendom,
christendom en islam". In Akademische Tijdingen deed prof.
Johan De Tavernier verslag : "Fatima Goudman wees erop
dat volgens de islamitische wetgeving ('sjaria') het niet
kan dat Rushdie zomaar ter dood veroordeeld wordt, zonder
eerst te zijn gehoord en zich te hebben kunnen verantwoorden
voor een rechtbank. En toen hierop vanuit het publiek
de vraag gesteld werd of hij het recht heeft vrij zijn
mening te verkondigen zonder daarvoor vervolgd te worden,
antwoordde zij - met instemming van de andere aanwezige
moslims - dat volgens de islam de vrije meningsuiting
nooit absoluut kan zijn, omdat deze gebonden is aan wat
de Koran zegt..." Om deze diplomatieke weergave in meer
feitelijke termen te vertalen : op mijn vraag of Rushdie,
als hij ook voor die rechtbank bij zijn boek zou blijven,
gedood moet worden, antwoordde Fatima Goudman eerst en
vooral : "Ja, dan moet hij gedood worden."
Ook bekeerling Youssouf Islam (Cat Stevens) had het al
duidelijk gemaakt. Ooit zei hij aan interviewers : "Islam
is the religion of peace and brotherhood." De Rushdie-zaak
gaf hem de gelegenheid om deze boodschap wat nader te
precizeren : "If I see Rushdie, I'll kill him."
Er is in het islamitisch recht geen enkele twijfel in
deze kwestie. De belangrijkste pijler van de sjari'a is
n.l. het voorbeeld van de profeet Mohammed, en dat laat
aan duidelijkheid niets te wensen over. De profeet beloonde
die dichters die zich bekeerden en hem begonnen te prijzen.
Maar zij die volhardden in de "boosheid", werden of door
een sluipmoordenaar afgemaakt of op meer formele wijze
terechtgesteld. De keuze van de procedure was voor Mohammed
geen princiepskwestie : als ze maar dood geraakten.
Na de eerste overwinning van Mohammed (slag bij Badr)
werd een zekere Oetba gevangen en ter dood veroordeeld
omdat hij ooit twee koepletten tegen Mohammed geschreven
had. Oetba pleitte : "O Mohammed, als gij mij doodt, wie
zal dan voor mijn kinderen zorgen ?" Mohammed antwoordde
: "Het vuur van de hel." Oetba werd onthoofd, en de profeet
riep uit : "Ik dank Allah dat Hij u heeft doen terechtstellen,
en mij daarmee verblijd heeft." (6)
Toen bekend raakte welke edelen allemaal bij Badr gedood
waren, uitte de joodse dichter Ka'b b. al-Asjraf zijn
verontwaardiging in een treurlied voor de gesneuvelden.
Een moslim-vrouw bespotte de gesneuvelden, en Ka'b ibn
al-Asjraf diende haar in een nieuw gedicht van antwoord,
waarbij hij ook een schuine opmerking over haar maakte.
"De profeet zei : 'Wie bevrijdt me van Ibn-al-Asjraf ?'
Mohammed b. Malama zei : 'Ik zal met hem afrekenen voor
u, o profeet, ik zal hem doden.' Hij zei : 'Doet dat als
ge kunt.'" Het was echter een moeilijke onderneming, er
werden handlangers bijgehaald, en Mohammed gaf uitdrukkelijk
toestemming om list en leugen te gebruiken. De moordenaars
wonnen het vertrouwen van Ka'b, nodigden hem uit voor
een wandeling, en doodden hem, waarbij één van de moslims
zelf gewond raakte. "We droegen hem en brachten hem op
het einde van de nacht bij de profeet. We groetten hem
toen hij stond te bidden, en hij kwam buiten, en wij vertelden
hem dat wij Gods vijand gedood hadden. Hij spuwde op de
wonden van onze kameraad, en daarna gingen we naar huis
terug. Onze aanslag op Gods vijand had terreur gezaaid
onder de joden, en er was geen jood in Medina die niet
voor zijn leven vreesde." (7)
Sallaam ibn Aboe'l Hoeqaiq, ook bekend als Aboe Rafi,
was een joods leider in de oase Chaibar, die als een Demosthenes
de joodse en Arabische stammen opriep tot verweer tegen
Mohammed. Zoals Sjapoer Bachtiar in 1979 trachtte hij
de islamitische opmars in extremis te stoppen; en net
zoals Bachtiar in 1991 werd hij door de moslims vermoord.
Een groep van vijf, onder wie Mohammed een leider had
aangeduid, ging naar zijn huis, verschafte zich met een
voorwendsel toegang, en doodde hem. Terug bij Mohammed
twistten ze over wie van hen de dodelijke zwaardstoot
had toegebracht. De profeet bekeek hun zwaarden, vond
voedselresten op het zwaard van Abdoellah ibn Onais, en
besloot (met de anatomische inzichten van toen) dat deze
de eer had. (8)
Bij de inname van Mekka, dat zich had overgegeven, had
Moham med zijn kommandanten bevolen, alleen gewapende
weerstanders te doden, plus een aantal bekende islam-kritici.
Bij schermutselingen met een groep die de overgave niet
aanvaard had, werden twaalf of dertien heidenen gedood,
evenals één moslim. De afspraak was dat alwie geen weerstand
bood, gespaard zou worden, maar zoals Jasser Arafat pas
nog verklaard heeft om het vredesakkoord van Oslo tegenover
zijn eigen supporters te rechtvaardigen : uit Mohammeds
voorbeeld blijkt dat men een verdrag met de ongelovigen
niet hoeft na te komen. Mohammed werkte dus toch maar
zijn agenda van wraaknemingen op kritici af. (9)
Zo gaf hij opdracht, Abdoellah ibn Sa'd te doden : deze
was Moham meds sekretaris geweest, en was als bevoorrecht
getuige tot het besluit gekomen dat Mohammeds "openbaringen"
doorgestoken kaart waren. Abdoellah was echter een familielid
van Mohammeds luitenant Othman, en deze vroeg aan Mohammed
genade voor de afvallige sekretaris. "Men zegt dat de
profeet lang zweeg en uiteindelijk ja zei. Wanneer Othman
buitengegaan was, zei hij tot zijn gezellen : 'Ik zweeg
zodat iemand van u zou opstaan en zijn hoofd afhakken!'"
(10) De profeet betreurde de genadeverlening aan Abdoellah,
en deze beijverde zich des te meer om Mohammed en diens
opvolgers te behagen. Zo maakte hij nog behoorlijk karrière,
en hij werd een schoolvoorbeeld voor de talloze opportunisten
die zich uit eigenbelang tot de islam bekeerd hebben.
Een andere afvallige, Abdoellah ibn Chatal, had de profeet
bekritizeerd. Hij had ook twee zangeressen in dienst die
spotliederen over Mohammed gezongen hadden. Zij werden
alle drie ter dood veroordeeld (één van de meisjes wist
tijdig te ontkomen). Ook een zekere al-Hoewairith ibn
Noeqaidh, "die hem in Mekka placht te beledigen", werd
ter dood gebracht, en wel door Mohammeds schoonzoon Ali.
Nog een ter dood veroordeelde afvallige was Miqjas ibn
Hoebaba, wiens broer in Medina door een "helper" (Medinese
moslim) gedood was ("per ongeluk", zegt de islamitische
traditie), waarop hij deze "helper" gedood en de islam
verzaakt had, en naar Mekka teruggekeerd was. Ook Sara,
een bevrijde slavin "die hem in Mekka beledigd had", werd
ter dood veroordeeld, maar pas later gedood. Een zekere
Ikrama werd ook veroordeeld, maar hij was naar Jemen gevlucht;
zijn vrouw, die moslim geworden was, vroeg gratie voor
hem, en hij bekeerde zich en kwam terug naar Mekka. (11)
Aboe Afak, een stokoude dichter behorend tot de Banoe
Oebaida-clan, schreef een protestlied naar aanleiding
van de moord op al-Harith ibn Sowaid ibn Samit door Mohammed.
Het bezong de kwaliteiten van de "zonen van Qaila", de
stammoeder van de Aus- en de Chazradj-clans, die een welvarende
stam waren totdat Mohammed tweedracht kwam zaaien (n.l.
tussen bekeerlingen en anderen) met zijn geboden en verboden.
De orthodokse biografie van Ibn Ishaaq vertelt : "De profeet
zei : 'Wie gaat voor mij met deze schurk afrekenen ?'
Daarop ging Salim ibn Omair... erop af en hij doodde hem."
(12)
De dichteres Asmaa bint (= "dochter van") Marwaan, van
de Banoe Chatma-clan, hekelde de moord op Aboe Afak en
de lafheid van de Medinese stammen die met Mohammed kollaboreerden.
"Wanneer de profeet hoorde wat zij gezegd had, zei hij
: 'Wie bevrijdt me van Marwaans dochter ?' Omair ibn Adiej
al-Chatmi (een stamgenoot van Asmaa), die bij hem zat
en hem gehoord had, ging diezelfde nacht naar haar huis
en doodde haar. 's Morgens kwam hij bij de profeet en
bracht verslag uit. De profeet zei : 'Gij hebt God en
Zijn gezondene geholpen, o Omair.'" (13) Ibn Ishaaq vermeldt
erbij dat "de dag nadien alle mannen van de Banoe Chatma
moslims werden omdat zij de macht van de islam gezien
hadden", een typisch staaltje van bekering tot de islam
door angst.
Bovenstaande feiten zijn beschreven in de Arabische biografieën
van Mohammed, waarvan de oudste, Sirat Rasoel Allah
van Ibn Ishaaq en Ibn Hisjaam, vlot in Engelse vertaling
verkrijgbaar is [Guillaume, The Life of Mohammed, Oxford
University Press]. Zij worden ook besproken in goede moderne
Mohammed-biografieën (Margoliouth, Muir, Konzelman), en
zijn nog het onderwerp van twee anti-Rushdie pamfletten
in het Oerdoe (in het Engels samengevat door Ram Swarup
in het Calcuttese dagblad The Telegraph, 16.6.1992) :
Moeqaddas-i Aajat ("De heilige verzen") van Wadjid
Ali Khan, professor aan de Djamia Millia in Delhi en in
de pers steevast als "gematigd" omschreven; en Ahaanat-i
Rasoel ki Sazaa ("De straf voor het beledigen van de profeet")
van Maulana Moehassan Oesmani Nadwi, professor aan de
militant sekularistische Djawaaharlaal Nehroe-universiteit
in Delhi (beide bij Islamic Research Centre, Delhi 1989).
Dit laatste somt ook gelijkaardige strafmaatregelen van
Mohammeds onmiddellijke opvolgers op.
De eerste kalief, Aboe Bakr, liet een vrouw, Oemm Qoerfah,
ter dood brengen : zij had de islam verzaakt, en gaf geen
gehoor aan de oproep om zich opnieuw te bekeren. Zij was
daarmee in hetzelfde geval als dat wat ik aan Fatima Goudman
voorlegde : Rushdie die voor een rechtbank weigert om
op zijn van afvalligheid getuigend boek terug te komen.
De islamitische straf is in dit geval wel degelijk de
dood.
Een zangeres uit Jemen werd ervan beschuldigd, een satire
op de profeet ten gehore gebracht te hebben. De goeverneur
liet haar tanden en handen amputeren zodat ze niet meer
kon zingen en musiceren. Toen Aboe Bakr hiervan hoorde,
schreef hij terug dat hij ze gewoon zou hebben laten terechtstellen.
De tweede kalief, Omar, werd door zijn goeverneur in Egypte
geraadpleegd over een man die al enkele keren de islam
aangenomen en weer afgezworen had. Hij gaf opdracht om
hem voor de laatste keer de islam te laten aannemen, en
hem bij weigering ter dood te brengen. De derde kalief,
Othman, hoorde van enkele volgelingen van Maslamah, iemand
die zich naar Mohammeds voorbeeld zelf tot profeet had
uitgeroepen. Hij gaf opdracht hen te vragen moslim te
worden, en hen bij weigering te doden. De vierde kalief,
Ali, kreeg te maken met bekeerlingen uit het christendom
die tot hun vroegere geloof teruggekeerd waren. Overeenkomstig
zijn bevel werden zij gedood en hun kinderen als slaaf
verkocht.
In een andere episode uit de tijd van de rechtgeleide
kaliefen vroeg de dochter van één van Mohammeds gezellen
aan een dhimmi (christen of jood die mits gedoogbelasting
en vernederend statuut in een islamitische staat geduld
werd) in Egypte om zich te bekeren. Toen deze weigerde
en zich negatief over de profeet uitliet, doodde zij hem.
De goeverneur oordeelde dat "een dhimmi het recht niet
had om een moslim te kwetsen aangaande de profeet", en
keurde de moord goed.
Maulana Nadwi's boekje is geschreven als repliek op een
pleidooi voor "mildheid" jegens Rushdie van Maulana Wahiedoeddien
Khan, die in zijn blad Al-Risaala geschreven had
dat het doodvonnis strijdig is met de barmhartige "geest"
van de islam. Wahiedoeddien is een notoir leider van de
fundamentalistische tabliegh-beweging ("propaganda"
tegen on-islamitische kultuurelementen), maar hij denkt
meer strategisch dan principieel : daarom wil hij het
nadelige publiciteitseffekt van het doodvonnis met wat
leugentjes om bestwil ongedaan maken, goed wetend dat
hij met dit bedrog beantwoordt aan een gretig verlangen
van allerlei progressieven naar een "gematigde islam".
Wahiedoeddien had in zijn pleidooi enkele gevallen aangehaald
van lankmoedigheid van de profeet tegenover kritici. Nadwi
toont aan dat deze dateren uit Mohammeds beginperiode,
toen de "voorschriften van de Soenna (traditie) nog niet
neergedaald waren", en toen Mohammed hoe dan ook te zwak
stond om zijn wil op te leggen. Hij betoogt, volkomen
terecht, dat zodra Mohammed zich in een sterke positie
bevond en "Gods wil" kon doen naleven, al wie hem beledigde
passend gestraft werd. Zeggen dat Rushdie vermoorden on-islamitisch
is, komt neer op het absurde standpunt dat Mohammed zelf
een slecht moslim zou geweest zijn. Behalve Mohammed en
de eerste kaliefen voert Nadwi nog een hele reeks theologen
en heersers uit veertien eeuwen islamgeschiedenis op als
getuigen. Hij besluit dat het pleidooi van Wahieddoeddien
Khan voor mildheid jegens Rushdie "van een onbekendheid
met de geest en de geschiedenis van de islam getuigt".
Of van een arglistige taktiek om goedgelovige buitenstaanders
te bedriegen, natuurlijk.
Intussen hebben sjari'a-deskundigen in Pakistan nog eens
nauwkeurig bekeken wat juist de islamitische straf is
voor "belediging van de Profeet". Op 31 oktober 1991 besloten
de vijf rechters van het Opperste Islamitische Hof er
dat deze straf niet levenslang moet zijn (zoals kort tevoren
nog uitgesproken), maar de doodstraf. Deze gezaghebbende
uitspraak mag definitief een einde maken aan het bonte
gekakel van mensen die de vrije meningsuiting met het
bewieroken van de islam trachten te kombineren. Wat zij
ook allemaal mogen bedenken en beweren, het islamitisch
recht stelt, konform het voorbeeld van de profeet zelf,
dat mensen als Salman Rushdie de dood verdienen.
5.4. Een overzichtje
In de gloriedagen van de islam waren terechtstellingen
van andersdenkenden schering en inslag, b.v. van de vrijdenker
Ibn al-Moeqaffa (Bag dad 756) of de mysticus Mansoer al-Hallaadj
(Bagdad 922). Beroem de geleerden die nu als pluim op
de hoed van de islam geparadeerd worden, moesten zich
uit vervolging wegens geflirt met on-islamitische ideeën
redden door onder te duiken, b.v. de dichter Fir dausi
(auteur van de Sjah-Nameh, dat de vóór-islamitische
geschiedenis van Iran verheerlijkt), de natuurwetenschapper
Ibn Sina (Avicenna) en de aristotelische wijsgeer Ibn
Rosjd (Averroës). (14) Van de Mogol-prins Dara Sjikoh
vermeldt men graag zijn belangstelling voor de Vedische
wijsbegeerte (hij vertaalde de Oepanisjaden in het Perzisch),
als bewijs van de islamitische openheid van geest; men
vergeet daarbij vaak dat hij wegens godslastering en afvalligheid
terechtgesteld werd.
Zelfs toen de koloniale mogendheden de islam van de macht
verdreven hadden, handhaafde men het verbod op belediging
van de profeet door direkte aktie. Enkele voorbeelden
uit Brits-Indië. Pandit Leekh Raam publiceerde in 1892
in Lahor een boek Risaala-i-djihaad ja'ni dien-i-Mohammedi
ki boenjaad (Oerdoe : "Verhandeling over de Heilige Oorlog,
of de grondslag van de mohammedaanse religie"). De moslims
spanden een proces aan om het boek te laten verbieden,
maar ze verloren de zaak definitief in 1896. Op 6 maart
1897 werd Leekh Raam vermoord. De prominente islam-kriticus
Swami Sjraddhaananda werd doodgeschoten door Abdoel Rasjied
op 23 december 1926 toen hij ziek te bed lag. Vervolgens
werd ook zijn medestander Lala Nanak tjand vermoord. Raadjpaal,
de vermeende auteur van Rangila Rasoel ("de playboy-profeet",
over Mohammeds seksueel leven), werd in zijn winkel doodgestoken
door Ilaamdien op 6 april 1929. Nathoeramaal Sjarma werd
vermoord door Abdoel Qajoem in september 1934 wegens de
publikatie van een pamflet over de geschiedenis van de
islam.
Deze opsomming is ontleend aan een boek van de latere
Indiase minister van Justitie, dr. Bhimrao Ambedkar, die
eraan toevoegt : "Dit zijn slechts voorbeelden, de lijst
kan gemakkelijk langer gemaakt worden." (15) Hij wijst
erop dat de moordenaars, die door Britse rechters veroordeeld
werden, de volledige morele steun kregen van de moslim-leiders
: "De leidende moslims veroordeelden deze misdadigers
echter nooit. Integendeel, dezen werden toegejuicht als
martelaars voor de religie (...) Mr. Barkat Alli, een
advokaat in Lahor, die het beroep van Abdoel Qajoem pleitte
(...) ging zo ver, te beweren dat Qajoem niet schuldig
was aan de moord op Nathoeramaal omdat deze daad gerechtvaardigd
werd door de wet van de Koran."
In dezelfde periode werden in het emiraat Afganistan nog
steeds mensen publiek onthoofd wegens "afvalligheid".
(16) In het verwestersende Iran van de nationalistische
Pahlevi-dynastie werden de vóór-islamitische zoroastriërs
(de enkele tienduizenden die nog overbleven) in hun rechten
hersteld, maar leden van de van de islam afgescheurde
bahai-sekte, die Mohammeds aanspraak op het statuut van
laatste en definitieve profeet verwerpen, werden nog steeds
bloedig vervolgd. Bovendien werd in 1945 de sekularistische
historicus Kasravi door de fedajan-e-islam vermoord,
een jaar na Ajatollah Chomeini's polemiek tegen hem in
zijn boek Kasj-al-asrar ("De ontsluiting der geheimen").
Dit was slechts een voorsmaakje van de terreur die de
integristen in voor hen betere tijden tegen de vijanden
van de islam zouden ontketenen. Het doodvonnis tegen Rushdie
is inderdaad slechts het bekendste voorbeeld van een ware
epidemie van aanslagen tegen vrijdenkers die de laatste
jaren ettelijke tientallen slachtoffers gemaakt heeft.
Rushdies Italiaanse en Noorse vertalers werden zwaar gewond
bij aanslagen, zijn Japanse vertaler werd effektief gedood.
Dat de Japanse moslims de moord op de Japanse Rushdie-vertaler
hebben toegejuicht, is in Vlaanderen alleen gemeld in
het radioprogramma Radio Trottoir van 3.8.1991,
overigens een onverdacht anti-racistische bron. Uiteraard
heeft het Japanse publiek verbolgen op deze stellingname
gereageerd.
In Turkije werden in 1993, enkele maanden na de moord
op de journalist Ugur Mumçu, in één klap 37 mensen levend
verbrand die deelnamen aan een sekularistisch kongres
bijeengeroepen door Aziz Nesin, die met de publikatie
in afleveringen van een Turkse vertaling van De Duivelsverzen
begonnen was, en die gesteld had dat "er een einde
moet komen aan de duizendjarige tirannie van de Koran".
Begin 1992 werd Moestafa Djeha, een modernistisch sjiïet
woonachtig in de christelijke sektor van Beiroet, neergeschoten
wegens kritiek op de Chomeinisten. (17) In Egypte is Farag
Foda maar de bekendste van een aantal vermoorde vrijdenkers.
In Algerije zijn we de tel kwijtgeraakt van de vermoorde
intellektuelen en zangers : 1360 jaar na de dood van de
Profeet is de wrekende hand van zijn volgelingen fataal
geworden voor Tahar Djaout en tientallen anderen.
Behalve het aantal effektieve moorden, zijn er de bedreigingen
en de angst waaronder zovele geviseerden moeten leven.
B.v., in het voorjaar van 1992 verklaarde prof. Moesjier-oel-Hasan
van de ("gematigde") moslim-universiteit Djamia Millia
in Delhi dat het verbod op het Rushdie-boek moest opgeheven
worden, aangezien "iedereen het recht heeft om gehoord
en gelezen te worden". Hij haastte zich, erbij te zeggen
dat hij de inhoud van het boek natuurlijk wel verfoeide,
maar dat hielp niet : studenten eisten meteen zijn ontslag,
staken lokalen in brand, vielen andere professoren aan
die met Hasan sympatizeerden, en dwongen rektor Basjieroeddien
Ahmad de universiteit tijdelijk te sluiten. Op 22 mei
1992 verklaarde de imaam van de Djama Masdjid (hoofdmoskee),
Delhi : "Ieder die Salman Rushdie verdedigt, beledigt
de islam". De studenten antwoordden skanderend : "Qaum
ka gaddar, maut ka haqdaar" ("verrader van de moslimgemeenschap,
verdiener van de dood"). Moesjier-oel-Hasan haastte zich,
zijn verontschuldigingen aan te bieden en zijn woorden
als een strikt persoonlijke opinie te bestempelen, maar
dat kon hen niet vermurwen. (18) Toen de prof terug op
de universiteit verscheen, werd hij prompt het ziekenhuis
ingeslagen.
Het effekt van deze terreur werd verwoord door Abdel-Kader
Jassin, Palestijns schrijver in Zweden, die moest onderduiken
na doodsbedreigingen. In een artikel in de Zweedse krant
Göteborgs-Posten had hij de moslim-intellektuelen aangeklaagd
die de vervolging van vermeende ketters te onverschillig
aanvaarden. Hij schreef ondermeer : "Het zou te eenvoudig
zijn, te zeggen dat Chomeini de islam niet was; hij was
een deel van de islam. Het ware evenzo onjuist, het christendom
met de inkwisitie gelijk te stellen; en toch is de inkwisitie
een belangrijk bestanddeel van de christelijke erfenis."
Hij beschreef ook hoe, voor westerlingen nog nauwelijks
voorstelbaar, het in moslim-landen praktisch onmogelijk
is om zelfs aan vrienden je twijfels aan de religie te
laten merken. Hij stelde het gebrek aan vrije meninguiting
verantwoordelijk voor de neergang die de islamwereld de
laatste duizend jaar gekend heeft. Hij apprecieerde ook
Rushdies kontroversiële boek : "Hij heeft dat geschreven
wat wij wilden zeggen. Hij heeft de hele wereld verteld
dat wij bestaan. Hij heeft een einde gemaakt aan onze
afzondering. Maar tegelijk heeft hij ons opnieuw geïsoleerd.
Hij heeft ons bevrijd, om ons meteen weer te boeien :
nu is het helemaal onmogelijk geworden om in de islam
nog wat anders te zien dan een heilig en onaantastbaar
boek Gods." (19)
Deze vervolging gaat niet alleen van terreurgroepen uit,
maar ook van overheden. Kort na de Rushdie-zaak haalden
ondermeer de volgende gevallen de pers. Een jonge man,
Sadek abdel-Kerim Malallah, werd in Saoedi-Arabië wegens
"belediging van de islam" onthoofd. In de Verenigde Arabische
Emiraten kregen amateur-toneelspelers op dezelfde grond
een gevangenisstraf. In het "gematigde" Egypte kregen
auteur Alaa Hamid, zijn uitgever en zijn drukker elk acht
jaar cel. Recent nog werd een als "afvallig" gebrandmerkt
auteur, Nasr Hamid Aboe Zaid, door een rechtbank verplicht
om van zijn vrouw te scheiden, want een niet-moslim mag
geen moslim-vrouw bezitten. Aan dit vonnis zie je dat
Egypte echt wel aan zijn imago van gematigdheid werkt,
want de rechter had hem ook ter dood kunnen veroordelen...
In Pakistan werden enkele mensen wegens "belediging van
de islam" tot levenslang veroordeeld, ondermeer de tot
het christendom bekeerde gehandikapte Tahier Iqbaal die
in de gevangenis op niet opgehelderde wijze gestorven
is. Begin 1995 werd zelfs, samen met de Pakistaanse christenen
Rehmat Masih en John Joseph, de twaalfjarige Salamaat
Masieh ter dood veroordeeld; onder druk van de regering,
die negatieve publiciteit wou vermijden om Amerikaanse
wapens te kunnen kopen, werd het proces overgedaan, waarbij
de belangrijkste getuigen opeens onvindbaar bleken en
de jongen en zijn vader bij gebrek aan bewijs vrijgesproken
werden. Ze hebben wel in Duitsland asiel gezocht, want
iedereen weet dat ze in Pakistan geen dag in leven zouden
blijven. Dezelfde aanklacht wordt roetinematig tegen de
ahmadija-minderheid gebruikt; zelfs al komt het niet tot
een proces, een tijdje voorarrest in een Pakistaanse gevangenis
volstaat doorgaans wel om de niet-moslims hun plaats te
tonen.
In Australië werd dr. Makin Morcos vermoord, een koptisch
immigrant die de vervolging van de kopten in Egypte dokumenteerde.
Maar ook dichterbij zijn er Westerse demokratieën waar
islamitische inkwisiteurs zich ingenesteld hebben. In
april 1994 veroordeelde een Britse moefti de in Cardiff
wonende Pakistaans-Britse auteur Anwar Shaykh ter dood
wegens zijn openlijke afvalligheid en zijn kritiek op
de profeet; weliswaar met de beperking dat het vonnis
alleen in een islamitisch land en door een wettig ingestelde
overheid uitgevoerd mag worden. (20) De schrijver moet
zich nu toch maar aan een hoop hinderlijke veiligheidsmaatregelen
houden, terwijl de moefti door de overheid van dit bij
uitstek vrijheidslievende buurland niet verontrust wordt.
C'est arrivé près de chez vous, maar heeft uw krant
het u verteld ?
Sajjed Sjahaboeddien, de man die de hele Rushdie-wagen
aan het rollen bracht, was eind '93 weer in het nieuws,
dit keer met een poging om het boek Hindu View of Christianity
and Islam van de bejaarde filosoof Ram Swarup te doen
verbieden. Vermoedelijk vond hij dit boek een geschikt
doelwit om ook de christenen en dus een deel van de Westerse
opinie aan zijn kant te krijgen. Maar dit keer ving hij
bot : men herinnerde zich immers maar al te goed de nasleep
van Sjahaboeddiens vorige boekverbod. Want het Duivelsverzen-verbod
heeft, achteraf bekeken, het ijs gebroken voor een wereldwijde
geweldkampanje die nog steeds voortduurt.
De opsomming die we hier gegeven hebben, is zeer onvolledig.
Zoals Rasjied Boedjedra opmerkt, rapporteren onze media
alleen de geruchtmakendste gevallen : "Toen Farag Foda
viel, lieten ze zich even vermurwen, maar reeds vóór Foda
werden in Alexandrië en Kaïro ettelijke intellektuelen
door fanatici omgebracht." Verder hebben we het niet over
mensen die in hun karrière geschaad zijn, noch over de
boeken en films die verboden zijn (al had het verbod op
Schindler's List in veel moslimlanden toch een
alarmbel moeten doen rinkelen bij degenen die die film
hier zo promoten). In ieder geval is de islamitische vervolging
van andersdenkenden een probleem van eerste orde geworden.
5.5. Taslima Nasrin versus Salman Rushdie
De Bangladesji arts en schrijfster Taslima Nasrin (°Moimansingh
1962) kreeg in 1993 een eerste doodvonnis te slikken wegens
haar roman Lajja (Schaamte), die gaat over de vervolgingen
van hindoes in Oost-Bengalen sinds zijn omvorming tot
moslim-staat in 1947. Het boek is er verboden. Het is
een stoorzender voor de islam-bewieroking, een zeer onwelkome
doofpot-opener die de aandacht vestigt op de slachtoffers
van de islam. Uit vrijzinnige hoek is het boek heel spitsvondig
bekritizeerd ("onverantwoordelijk") en de pers heeft de
inhoud zoveel mogelijk buiten beeld gehouden of verkeerd
weergegeven. Zo heeft men het moslim-geweld tegen de minderheden
bij voorkeur voorgesteld als een "wraak" na provokaties
(het hoort tot het wezen van agressie dat het slachtoffer
de schuld krijgt), of als iets waaraan beide partijen
gelijkelijk schuldig zijn; hetgeen niet juist is, noch
in Lajja noch in de werkelijkheid.
Konkreet gaat het boek over de familie Datta, hindoe van
geboorte maar vrijzinnig en links, die liever in haar
islamitisch geworden land blijft dan naar de lekenstaat
India te vluchten. De Datta's krijgen het nochtans moeilijk
: Nasrin ent het verhaal op de reële geschiedenis van
pesterijen en pogroms. Maar zelfs wanneer de vader kreupel
geslagen en verminkt wordt, en wanneer zijn dochter ontvoerd
en nooit meer teruggezien wordt, blijft hij geloven dat
vluchten "bekrompen" zou zijn, want dat dit maar "tijdelijke
excessen" van "misleide" elementen zijn, die de islam
"verkeerd begrijpen". In de pogroms van december 1992
brengen de Datta's het er levend vanaf, maar dit keer
hebben ze er genoeg van, en ze vertrekken naar India.
En zo stemmen ook zij met hun voeten tegen de islam, en
is Bangladesj weer wat meer van heidense smetten vrij.
De storm over Taslima brak pas goed los na haar uitspraak
dat, terwille van de waardigheid van de vrouw, "de Koran
grondig herschreven moet worden". Een religieus doodvonnis
en een arrestatiebevel vanwege de overheid deden haar
onderduiken. Even leek ze terug te krabbelen toen ze liet
weten, verkeerd geciteerd te zijn. Kort daarop echter
werden nog andere recente uitspraken van haar bekend,
vooral via haar interview in Der Spiegel : "De
Koran is overbodig geworden, hij verhindert de vooruitgang
en de gelijkberechtiging van de vrouw"; "De islam geeft
vrouwen geen enkele waardigheid en behandelt hen als slaven";
"Om als mens te kunnen leven moeten vrouwen zich buiten
de islam plaatsen".
Sommigen trachten hun eigen moderne en feministische opvattingen
op de Koran te projekteren (b.v. Fatima Mernissi beweert
dat de konkrete Koran-richtlijnen voor de polygamie in
feite een veroordeling van de polygamie inhouden), maar
Taslima Nasrin doet niet mee aan die vrome leugentjes.
En ze gaat nog verder : "Het probleem is dat de islam
intolerant is"; "Ik ben atheïst, elke vorm van religie
is achterhaald"; "Ik houd de Koran op vele punten voor
onjuist". Op de vraag van een Australische interviewer
of ze nu de islam zelf aanvalt, zegt ze : "Ja, frontaal."
Dit kwam haar op een tweede doodvonnis te staan, d.w.z.
een fatwa ("rechtskrachtig juridisch advies") van een
moefti ("juriskonsult") die verklaart dat zij schuldig
is aan een misdaad waarvoor de sjari'a de doodstraf oplegt.
Anders dan bij Rushdie staat er wel geen staatsmacht achter
deze fatwa's, maar elke moslim die zich geroepen voelt
om de moordoproep uit te voeren, zal zich voor een islamitische
rechtbank met verwijzing naar deze fatwa kunnen vrijpleiten.
Vitterijen zoals die van Jean-Edern Hallier, die in een
protestartikel in Le Figaro tegen de toekenning van de
Sacharov-prijs van het Europees Parlement aan Taslima
Nasrin (december 1994) ondermeer op dit verschil met de
Rushdie-zaak wijst, zijn naast de kwestie : in beide gevallen
is elke moslim die de moord wil voltrekken, verzekerd
van een expliciete juridisch-theologische rechtvaardiging.
De inmiddels verschenen recensies tonen aan dat onze opiniemakers
wel sympathie hebben voor Taslima Nasrin als slachtoffer
van "extreem-rechtse moslim-fundamentalisten", maar niet
als verslaggeefster van de reëel bestaande islam. Om met
een perifere eigenaardigheid in deze recensies te beginnen
: bijna elke kommentator noemt Nasrin de "vrouwelijke
Rushdie". Deze vergelijking veronachtzaamt terloops het
feit dat Rushdie lang niet de enige auteur is die door
de islam vervolgd wordt. In de zes jaar die sedert het
doodvonnis tegen Rushdie verlopen zijn, zijn honderden
intellektuelen even ernstig als Rushdie door moslim-militanten
met de dood bedreigd, en zijn er vele tientallen effektief
vermoord. Voor een goed perspektief op de ernst en de
omvang van de islamitische bedreiging voor vrijdenkers
allerhande zou het dus beter zijn, te verwijzen naar de
vermoorde Farag Foda, Tahar Djaout, Ugur Mumçu of naar
de door onthoofding terechtgestelde Sadek abdel-Kerim
al-Malallah, eerder dan naar de levende en florerende
media-figuur Rushdie.
Bovendien loopt de vergelijking van Nasrin met Rushdie
ook inhoudelijk mank. Dat is natuurlijk normaal, maar
juist daarom is het wat zwakjes dat de kritici blijkbaar
niet op het idee komen, de verschillen tussen beide auteurs
te noemen. Goed, beiden zijn linkse, atheïstisch geworden
ex-moslims uit het Subkontinent, en beiden zijn auteurs
van essays en fiktiewerken; maar nu de verschillen.
Taslima Nasrin woonde tot voor kort in het Subkontinent,
temidden van haar onderwerpstof, terwijl Rushdie om zo
te zeggen een salon-sekularist was, die de islam te lijf
ging vanuit het knusse Westen. Rushdie was hier een deel
van het links-liberale establishment, dat slechts spot
en hoon overheeft voor allerlei tradities en instellingen
waaraan minder geavanceerde medemensen nog waarde hechten.
Het was vanuit die neerbuigendheid dat hij ook het aureool
van de Profeet eens een beurt wou geven. Nasrin daarentegen
stond omzeggens aan het front. Haar woonplaats Moimansingh
is regelmatig het toneel van religieus geweld, en als
arts kreeg zij persoonlijk met de slachtoffers te maken
: niet-moslims gewond in de pogroms, en vrouwen wier echtgenoot
zich kweet van zijn Koranische plicht om hen hardhandig
te disciplineren. Uit haar werk spreekt dan ook een passionele
bekommernis om de konkrete slachtoffers van de islam.
Vanwege Rushdie is mij daarentegen geen enkele démarche
ten gunste van b.v. de hindoes in Bangladesj of de christenen
in Pakistan bekend, terwijl hij toch van hun situatie
op de hoogte moet zijn.
Rushdie is natuurlijk gesofistikeerder dan Nasrin, en
de recensent die hem een veel beter schrijver noemt, heeft
wellicht gelijk. Hoewel : is het zo superieur dat De
Duivelsverzen echte Moderne Literatuur is, vol erudiete
verwijzingen ("intertekstualiteit") maar nagenoeg onleesbaar
voor de gewone sterveling ? Lajja is een eenvoudig verhaal
dat, in de beste traditie van de sociaal geëngageerde
roman, een heel duidelijke boodschap over een herkenbaar
stuk aktualiteit brengt. Taslima Nasrin heeft niet zoals
Rushdie een akademische graad in de islamologie, en men
kan haar islamkritiek simplistisch noemen, zeker in vergelijking
met Rushdies fantasierijke exploratie van de grondslagen
van de islam en de psychologie van Mohammed. Het is wellicht
typisch mannelijk om de oorsprongen te exploreren, typisch
vrouwelijk om zich om de gevolgen te bekommeren; in ieder
geval is Taslima Nasrin met Lajja een pionier in het beschrijven
van de gevolgen van de islam-doktrine voor de ongelovigen.
5.6. Auteur gelauwerd, boek verbrand
Geen enkele recensent schijnt te (willen) beseffen hoezeer
het verschijnen van Lajja een werkelijk historische gebeurtenis
is. Het is gewoon de allereerste keer in de geschiedenis
van de islam dat een geboren moslim de mishandeling van
de niet-moslims beschrijft en zich aan hun zijde engageert.
Toen de indianen te lijden hadden onder de christelijke
Conquista, werd hun zaak bepleit door christelijke auteurs
als De las Casas en De Sahagún; uit de islamgeschiedenis
zijn geen dergelijke figuren bekend.
Wat zeggen de recensenten dan wel over Lajja ? In hun
weergave van de inhoud van het boek zijn de meesten zeer
beknopt en selektief. Op zijn minst beweren ze, praktisch
zonder uitzondering (ook b.v. in Vlaanderens kwaliteitskrant),
dat het boek de rellen van december 1992 behandelt, de
"wraak" van de Bengaalse moslims voor de afbraak van de
Babar-"moskee" in Ajoodhja door Indiase hindoes. In werkelijkheid
gebruikt het boek die rellen als uitgangspunt voor een
overzicht van het frekwente en ongeprovoceerde geweld
tegen de minderheden (ook boeddhisten en christenen) sedert
de dekolonizatie in 1947. De recensenten stellen het zo
voor dat de hindoes door hun eigen schuld in december
1992 het mikpunt van pogroms geworden zijn; in de werkelijkheid
zowel als in Lajja nemen moslims sinds lang regelmatig
en eenzijdig het initiatief tot dit soort geweld.
Vele kommentatoren zeggen zelfs helemaal niets over de
inhoud van Lajja. In de interviews van Westerse media
met Taslima Nasrin (Nouvel Observateur, Time, Der Spiegel,
Australische TV, e.a.) wordt over de inhoud van Lajja
geen enkele vraag gesteld. De reeks "Lettres ouvertes
à Taslima Nasrin", opgezet door Bernard-Henry Lévy en
ondermeer in De Morgen gepubliceerd, loopt met een wijde
boog om het thema van de onderdrukking van niet-moslims
in Bangadesj heen : Nadine Gordimer, Salman Rushdie, BHL
zelf (die het natuurlijk vooral over zichzelf en zijn
eigen reisje naar Bangladesj heeft), allemaal vinden ze
het spreekrecht van kollega Taslima stukken interessanter
dan het door haar aan de orde gestelde recht op leven
van de minderheden in islamitische staten. Alleen de Algerijnse
schrijver Rasjied Mimoeni vindt hier aanleiding om de
vervolging van de christenen in de Arabische landen te
vermelden.
Zelfs in de artikels die expliciet als recensie bedoeld
zijn, slaagt men erin, met een half zinnetje over de inhoud
van Lajja heen te springen, om zich dan te koncentreren
op fatsoenlijker thema's, zoals feminisme (inderdaad Nasrins
belangrijkste engagement, maar niet het enige, en niet
de oorzaak van een doodvonnis), vrije meningsuiting, en
de vermeende ekwivalentie tussen fundamentalisme ginds
en extreem-rechts hier. The Guardian kondigt op
de voorpagina een bespreking aan van "een boek dat een
taboe doorbreekt", wat zeer juist opgemerkt is, maar in
die bespreking blijkt het over alle aspekten van de affaire
te gaan, behalve over de inhoud van het boek en het taboe
op bespreking van het wettelijk en feitelijk statuut van
niet-moslims onder moslim-bestuur.
Om niet op die inhoud te moeten ingaan, wordt er vaak
expliciet gelogen over de reden van de doodvonnissen tegen
Nas rin : "Moslim-zeloten willen haar dood... Haar misdaad
was, in opstand te komen tegen de fundamentalisten die
bang zijn van de opkomst van de vrouwen", zo beweert Yasmin
Alibhai Brown in The Independent. Toch niet : ze
schreef al jaren feministische stukken, en dat leverde
haar nooit een doodvonnis op; het eerste doodvonnis had
als reden de "belediging van de moslims" door de beschrijving
van hun mishandeling van niet-moslims, het tweede (waarover
dadelijk meer) had als reden de "belediging van de Koran"
en dus van de Profeet.
Merk op dat deze Britse krant de recensie aan een moslim
toevertrouwd heeft (stel je hetzelfde voor met een boek
over extreem-rechts), net als de Times Literary Supplement.
Daarin beweert Aamer Hussein dat Nasrins versie van de
feiten, n.l. dat hindoes in Bangladesj frekwent het mikpunt
van moslim-geweld zijn, "betwist" wordt en op "slecht
verteerde pseudo-pamfletten" gebaseerd is. Yasmin Brown
doet geen uitspraak over de juistheid van Nasrins voorstelling
van zaken, maar zegt alleen dat deze "door hindoe-militanten
in India misbruikt is". Als het woord "misbruik" hier
al op zijn plaats is, moet men toegeven dat zij dit "misbruik"
maar konden maken omdat Lajja alleen een literaire
verwerking van verifieerbare historische feiten is, die
in India welbekend zijn, ondermeer door de geleidelijke
toevloed van miljoenen vluchtelingen die het allemaal
eerstehands meegemaakt hebben. (21)
Moslim-kommentatoren in het Subkontinent hebben Taslima,
de "pornografe", van allerlei lage motieven beschuldigd
("snelle roem, zoals Rushdie"); prestigieuze progressieve
kranten verleenden hun daartoe gaarne een forum. In het
Westen zijn ze beleefder, en ze haasten zich om hun steun
te betuigen aan Nas rins bekommernis om "de rechten van
moslim-vrouwen"; maar ze komen ervoor uit dat ze dit boek
liever niét hadden zien verschijnen, en ze doen hun best
om te verhinderen dat de lezer met sympathie kennis zou
nemen van Nasrins boodschap.
Van de niet-moslim recensenten is er geen enkele die uitspraak
doet over waarheid of onwaarheid van Nasrins versie van
de feiten, de kwestie interesseert hun blijkbaar niet.
Geen enkele kommentator expliciteert de vragen die de
argeloze lezer zich bij het uitbreken van deze affaire
moet gesteld hebben. Men wil wel even zijn sympathie voor
de vervolgde schrijfster uiten, maar men wil niet weten
welke prangende realiteit de schrijfster ertoe dreef,
zulke vervolging te riskeren. Dit is welbeschouwd een
ongelooflijke gang van zaken.
Stel je voor. Aleksandr Solzjenitsyn wordt uit de Sovjet-Unie
verbannen naar aanleiding van de publikatie van zijn De
Goelag-Archipel. De Westerse kranten brengen de affaire
op de voorpagina, roemen hem als een groot schrijver,
veroordelen de verbanning, - en reppen met geen woord
over de inhoud van het boek, over het kommunisme en de
kampen. Of stel je voor : Steve Biko wordt in een Zuidafrikaanse
gevangenis vermoord, de kranten brengen het nieuws op
de voorpagina, veroordelen de moord, prijzen Biko de hemel
in, - en reppen met geen woord over de Apartheid en Biko's
strijd daartegen. Zoiets is ondenkbaar, en wie er de oude
kranten op naslaat, zal vaststellen dat het niet zo gegaan
is. Welnu, hier gebeurt het wèl. Hier is een Solzjenitsyn
wiens zogezegde sympathizanten de Goelag-archipel doodzwijgen.
Niemand schenkt ooit aandacht aan het lot van de minderheden
in moslim-landen, daar komt Taslima Nasrin die haar leven
op het spel zet om hun verhaal te vertellen, - en haar
sympathizanten doen wat ze kunnen om het weer de doofpot
in te krijgen.
Nogal wat links-liberale kommentatoren, die de rest van
de tijd tekeergaan tegen islamkritiek bij hun landgenoten,
trachten de aandacht van deze islamkritiek vanwege een
gekleurde medemens uit de Derde Wereld (die helaas niet
als "racist" kan afgedaan worden) af te leiden door heel
spitsvondig de literaire kwaliteiten van het boek op een
goudweegschaaltje te leggen. Vrienden van me die het origineel
gelezen hebben, zeggen dat het, zelfs volgens de hoge
standaard van de rijke Bengaalse literatuur, beslist een
goed geschreven boek is; maar onze kenners weten het natuurlijk
beter. "Bangladesj heeft een gynekologe minder, de wereld
heeft er een matige schrijfster bij", zo wijsneust de
recensente van De Stan daard. "Noem je dit literatuur
?", vraagt Paul Gray in Time. Hij geeft toe dat
"ook slechte schrijvers bescherming verdienen", en voorspelt
dat haar vervolging "een slimme karrièrezet" zal blijken
(eind 1996 lijkt het er eerder op dat ze in een sukkelstraatje
terechtgekomen is). De recensent van La Quinzaine Littéraire
neemt aanstoot aan dat kommentaar, en is de enige die
schrijft dat "Lajja wèl een goed boek is".
De storm over Taslima brak in Bangladesj pas goed los
na haar uitspraak dat "de Koran grondig moet herschreven
worden". Dit was zoals gezegd de aanleiding tot het tweede
doodvonnis, dit keer door de prominente moefti Nazroel
Islam. De overheid, die haar het jaar tevoren nog tegen
de eerste moordoproep bescherming geboden had, vaardigde
een arrestatiebevel uit, en de schrijfster dook onder;
uiteindelijk stemde de regering, die goed weet dat een
groot deel van haar budget uit buitenlandse hulp bestaat,
erin toe haar naar Zweden te laten emigreren.
De reden voor het tweede doodvonnis was haar ongezouten
mening over de Koran, b.v. : "De Koran is overbodig geworden,
hij verhindert de vooruitgang en de gelijkberechtiging
van de vrouw", "Ik ben atheïst, elke vorm van religie
is achterhaald", "Ik houd de Koran op vele punten voor
onjuist".
In de islamitische pers heeft men deze uitspraken bekommentarieerd,
zij het heel kort, want er is nu eenmaal niet veel dubbelzinnigs
en interpreteerbaars aan. Het verdikt was dat zij haar
breuk met de islam (en met religie in het algemeen, overigens
op soms onnodig kassante wijze) publiek kenbaar gemaakt
heeft, dus dat zij nu formeel een afvallige is. Op zulke
openlijke geloofsafval staat alleszins de doodstraf, en
ook de moslims die de islamwet niet te letterlijk nemen,
kunnen niet anders dan Taslima Nasrin ten scherpste veroordelen.
In de Westerse kommentaren zijn deze uitspraken echter
totaal niet het voorwerp van enige analyse en beoordeling
geworden. Stel je voor : men noteert dat een schrijfster
om haar uitspraken ter dood veroordeeld wordt, en men
wordt zelfs niet nieuwsgierig naar de juistheid of onjuistheid
van die uitspraken. Natuurlijk heeft ze, of ze nu wel
of niet de waarheid spreekt, alleszins recht op bescherming
tegen moordenaars; maar vanwege onze intellektuelen mag
men toch enige belangstelling verwachten voor de inhoud
van een bewering die een doodvonnis waard is.
Overigens blijkt meer en meer dat de "heks van Moimansingh"
haar uitspraken hier best niet te luid herhaalt, want
dan zal de heksenhamer van de anti-racismewet haar treffen.
Dat zagen we al in 1991 in Frankrijk met het ontslag van
de topambtenaar voor migrantenzaken Jean-Claude Barreau
omwille van een islamkritisch boek.Sindsdien zijn er tal
van nieuwe feiten die in dezelfde richting wijzen.
5.7. Migrantenwerker ontslagen
Op 12 november 1991 werd Jean-Claude Barreau, ooit priester-arbeider
en migrantenwerker, ontslagen als hoofd van de Franse
immigratiedienst, omdat hij de islam had bekritizeerd.
Zijn misdaad ? Hij had een boek geschreven, De l'islam
en général et de la modernité en particulier, waarin
hij warempel kritische bedenkingen gemaakt had over de
islam. En dat mag niet. Barreau noemt zich het slachtoffer
van een "kollektief en bijna unaniem in acht genomen taboe".
(22)
Jean-Claude Barreau's boek is terecht bekritizeerd op
zijn detailfouten en zijn al te expliciet pro-christelijk
standpunt, maar zijn thesen over de islam blijven onweerlegd.
Hij verwerpt de "gulden legende" van een "grootse moslim-beschaving",
die men gelooft omdat "het menselijk vermogen tot zelfbedrog
groot is". Hij noemt de verspreiding van de islam "één
van de grootste katastrofen" in de premoderne geschiedenis.
De landbouw verviel, hele streken raakten ontvolkt, kultuurgoed
werd massaal vernietigd : "De islam is geboren uit de
woestijn en schepper van woes tijnen." De opbloei van
Bagdad en Cordova maakte die verwoesting niet goed, en
duurde slechts totdat de islamitische ortodoksie haar
greep verstevigd had en een duizendjarige stagnatie intrad.
Wie het boek op detailfouten pakt, moet wel niet denken
dat de korrektie van deze fouten het boek islamvriendelijker
zou maken. Zo vermeldt Barreau Jezus' bekende uitspraak
tegenover de menigte die de overspelige vrouw wil stenigen
: "Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen." Hij vraagt
zich hierbij af "wat Mohammed in dezelfde situatie gedaan
zou hebben ?" (23) Als Barreau zijn dossier beter gekend
had, zou hij geweten hebben dat Mohammed zich in diezelfde
situatie bevonden heeft, en dat zijn antwoord even duidelijk
was als dat van Jezus. In een geval van overspel in de
joodse gemeenschap van Medina wilden de joodse rabbijnen
als straf een publieke vernedering opleggen (met zwartgemaakt
aangezicht achterwaarts op een ezel gezet worden), maar
Mohammed kwam tussen en dwong hen, de in onbruik geraakte
doch door de Thora opgelegde straf uit te voeren : de
steniging. De Sira bespaart ons de details niet : "En
wanneer de jood de eerste steen voelde, boog hij zich
over de vrouw in een poging om haar tegen de stenen te
beschermen, totdat zij beiden doodgestenigd waren." (24)
Zo, zijn de kritici nu tevreden ? Is het vooroordeel van
barbaarsheid tegen die humane Mohammed hiermee weerlegd
?
De regering verantwoordde Barreau's ontslag met verwijzing
naar "de kans dat zijn persoonlijke mening als een officiële
stellingname beschouwd zou worden". Niemand gelooft dat
dit in de Franse lekenstaat als grond voor ontslag ingeroepen
zou worden in geval van een kritiek op het christendom.
Integendeel, iedereen weet dat de sekuliere regering zich
tot dit ontslag heeft laten dwingen door intense druk
vanuit ambassades en door het binnenlands moslim-protest
tegen Barreau's "simplistische" voorstelling van de islam.
Zoals Barreau aan Le Figaro verklaarde : "Een topambtenaar
mag aan Jezus' goddelijke natuur twijfelen zonder beroering
te verwekken, maar hij mag niet over de profeet Mohammed
spreken." Deze knieval voor de islam is een zware nederlaag
voor het vrije Westen.
Mr. Barreau noemt zich het slachtoffer "niet van een wet,
maar van een kollektief en bijna unaniem in acht genomen
taboe". En hij stelt vast dat er naast een links pro-islamisme
ook een rechts pro-islamisme bestaat. Dit laatste hangt
samen met het respekt voor het uniformisme en de strijdbaarheid
van de islam, en met anti-Amerikaanse solidariteit (Le
Pen kultiveert een relatie met de Arabische landen, waar
men zijn standpunten zeer goed begrijpt, en pleitte tegen
Franse deelname aan de tweede Golfoorlog). Een voor de
hand liggend punt van overeenkomst is natuurlijk het anti-judaïsme
(vgl. de steun van de groot-moefti van Jeruzalem aan Hitler,
het asiel voor oud-nazi's in Syrië, de Saoedische financiering
van holokaust-negationisme, de verspreiding van de anti-joodse
vervalsing De Protokollen van de Wijzen van Zion door
de Iraanse ambassades enz.; in de moslimwereld was Hitler
razend populair, ook b.v. bij de latere Egyptische presidenten
Nasser en Sadat). (25) Het linkse pro-islamisme is echter
veel konsistenter en vormt een krachtige lobby, die kritiek
op de islam meteen als "racisme" bestempelt.
Het is een ernstige zaak dat een regering zwicht voor
de druk van islamitische en verweesd-marxistische drukkingsgroepen.
Maar regeringen en andere overheden hebben het exkuus
van de raison d'état : soms lijken besnoeiingen op de
vrije meningsuiting een redelijke prijs om hogere staatsbelangen
te vrijwaren. Zo verbood de Britse regering een steunbijeenkomst
voor Rushdie om de vrijlating van Libanon-gijzelaar Terry
Waite niet in gevaar te brengen. De fout ligt minder bij
de overheid dan bij onze intelligentsia, die tegenover
de uitdaging van de islam verstek laat gaan, of voor de
kollaboratie kiest.
5.8. Mohamed Rasoel en "De ondergang van Nederland"
Na klacht vanwege blanke ingezetenen veroordeelt de blanke
rechter een kleurling tot een zware boete maar spreekt
hij diens blanke medeplichtigen vrij. De blanke pers braakt
scheldwoorden in de richting van de kleurling en weigert
aandacht te besteden aan zijn argumentatie. Nee, dit is
niet Alabama 1952 of Pretoria 1972, maar Amsterdam 1992.
Aanleiding is een klacht van de Anne Frankstichting tegen
een boekje over de opmars van de islam : De ondergang
van Nederland, land der naïeve dwazen. Uitgever en
vertaler (het manuskript was in het Engels) worden vrijgesproken,
maar de Pakistaanse auteur Zoka F. alias Moha med Rasoel
wordt veroordeeld tot een boete van 2000 gulden wegens
het "aanzetten tot haat op grond van ras of geloofsovertuiging".
De rechter verwart Rasoels boek blijkbaar met de Koran.
Kommentaar van Rasoel : "Het is belachelijk en ronduit
een schande dat ik mij moet verantwoorden wegens diskriminatie
van moslims. Het bewijst dat de strekking van het boek
juist is. Dat de Nederlandse samenleving minder tolerant
wordt. De vrijheid van meningsuiting wordt in ieder geval
al opgeofferd. Als moslims op TV zeggen dat Nederlandse
vrouwen sletten zijn, dan mag dat weer wel. Ik begrijp
het gewoon niet."
Het rekwisitoor stelde, niet zonder grond, dat Rasoel
"op onrechtmatige wijze generalizeert door 'softe Nederlanders'
af te zetten tegenover 'stompzinnige, wrede, korrupte
en bloedvergietende moslims'". Rasoel maakt onvoldoende
het onderscheid tussen de islam als doktrine en de moslims
als medemensen die in zeer uiteenlopende mate de mentale
gevangenen van deze doktrine zijn. Betwistbaarder is het
oordeel van de rechter dat Rasoel "aanzette tot haat tegen
mensen met een andere godsdienst" in volgende passage
: "De moslims zullen de Koran via de oren het hoofd van
hun kinderen instampen, een hersenspoeling achter gesloten
deuren en dichte gordijnen zodat ze de Nederlanders gaan
haten en hen als hun vijanden zien. Voor dit doel zijn
hun scholen beschikbaar gesteld waar zij ongehinderd hun
moslim-bommen kunnen vervaardigen."
Welbeschouwd wordt Rasoel hier kwalijk genomen dat hij
waarschuwt voor de oproepen tot haat tegen niet-moslims
die in de Koran staan, en die er bij moslim-kinderen als
Gods Woord ingehamerd worden. Hoewel er enkele domme dingen
in zijn boek staan, en de geciteerde bewoordingen soms
onnodig hetzerig zijn, is dit punt alleszins perfekt verdedigbaar.
Men kan de vraag stellen in hoeverre het gedrag van de
moslims door de Koran bepaald wordt (gelukkig laten ook
zij zich gewoonlijk door algemeen-menselijke motieven
leiden); maar men kan niet, tenzij uit onwetendheid of
kwade trouw, ontkennen dat de Koran tot vijandschap jegens
andersdenkenden aanzet. Meer dan zeventig Koran-passages
vormen een koherente tirade tegen de ongelovigen als boosaardig
hellegebroed en te bestrijden vijand : "Strijd tegen de
ongelovigen tot de afgoderij niet meer bestaat en Allahs
religie algemeen heerst"; "Bestrijd de ongelovigen in
uw omgeving en laat hen hardheid in u vinden"; "Zij die
Mohammed volgen zijn ongenadig voor de ongelovigen maar
goed voor elkander", enz.
Kan men iemands vaststelling dat Mein Kampf tot
jodenhaat oproept, bestraffen als zijnde zelf een aanzet
tot haat jegens nazi-medemensen ? Is het strafbaar als
iemand redeneert dat een nieuwe bloei van een ideologie
zal leiden tot een herhaling van de historische verwezenlijkingen
van die ideologie, dus nazisme tot genocide, en islam
tot dhimmitude en djihaad ?
De essentie van Rasoels stelling over de geplande inpalming
van Europa door de islam vinden we bevestigd bij de joods-Egyptische
historica Bat Ye'or : "Het islamisme verbergt geenszins
zijn bedoeling om Europa te bekeren. Brochures die in
Europese islamitische centra verkocht worden, zetten doel
en middelen uiteen, ondermeer bekeringswerk, huwelijken
met inheemse vrouwen, en vooral de immigratie. Wetend
dat de islam altijd als minderheid begonnen is in de veroverde
landen, beschouwen deze ideologen de moslim-inplanting
in Europa en de VS als de grote kans voor de islam." (26)
Zij vermeldt terrorisme, ekonomische druk en psychologische
konditionering als wapens in de strijd om het Westen.
Daarom waarschuwt Rasoel de Nederlanders dat zij de islam
alle faciliteiten geven om hier een demografische en institutionele
aanwezigheid op te bouwen die over enkele decennia onverenigbaar
zal blijken met de tolerante en open samenleving waarop
zij nu prat gaan. Toegegeven, hij overdrijft soms, en
hij was volgens onbevestigde krantenberichten ook niet
van onbesproken levenswandel, maar dat zijn zaken die
men een kruisvaarder tegen andere anti-demokratische bewegingen
graag zou vergeven. In ieder geval is er nu, nog dichter
bij huis, een gelijkaardige zaak waarin geen enkele dergelijke
omstandigheid de simpele waarheid komt vertroebelen, n.l.
dat islamkritiek in het Westen een strafbaar feit aan
het worden is.
5.9. "La Belgique musulmane"
Begin oktober 1994 publiceerde het Belgische weekblad
Télé-Moustique een artikel onder de titel : "La Belgique
deviendra-t-elle musulmane ?" De begeleidende foto, ook
op de voorpagina, toont koning Albert met een bedoeïense
hoofddoek, wat enige opschudding verwekt heeft. De inhoud
van het stuk was nochtans belangrijker, vooral dan het
uitvoerige citaat uit de preek van een imaam in een moskee
te Sint-Jans-Molenbeek : "Wij zijn in ongelovig gebied
en onze plicht is, het ene ware geloof te doen zegevieren...
Onze zege is onderweg en de moslims zullen weldra het
talrijkst zijn in dit land. Dan zullen wij de moslimwet
opleggen en België zal deel van de wereld-moslimgemeenschap
zijn. De zege is binnen ons bereik. (goedkeuring uit het
publiek) Vandaag misprijzen en bekritizeren en beledigen
de Belgen ons; ze zullen het zich eeuwig beklagen zodra
België van ons is. Zij zijn het die ons zullen dienen;
zij die de suprematie van onze Profeet niet willen erkennen,
zullen ons dienen. Bereidt u voor, want de zege is nabij
!"
Het artikel gaat nog kort in op de behandeling van de
christenen in het Midden-Oosten en legt uit wat de islamwet
zegt over de ondergeschikte plaats van niet-moslims, met
verwijzing naar de gezaghebbende historica Bat Ye'or.
Er worden enkele citaten uit de Koran bijgehaald (volgens
een Marokkaanse organizatie zijn ze "slecht vertaald",
het oude verhaal), die de onvoorbereide lezer "koude rillingen"
bezorgen, "vooral als ze uit hun kontekst gerukt worden".
Die laatste toevoeging impliceert heel welwillend dat
er ook een gesofistikeerder lezing bestaat die minder
verontrustend is; bovendien wordt daaraan haastig toegevoegd
dat de Bijbel ook zulke verzen bevat. Het artikel is zeker
geen wilde tirade tegen "de" moslims, maar schetst heel
nuchter de strategie van de integristen (van wie zelfs
pater Leman niet durft ontkennen dat ze in België aktief
zijn), en besluit met een oproep tot kalmte : "Alleen
een nuchtere analyse, met het hoofd koel, kan hen verhinderen
hun plannen te verwezenlijken of ons land in de chaos
te storten."
De franstalig-Belgische Liga voor de Rechten van de Mens
riep het publiek op tot een intimiderende lezersbrievenkampanje,
en kondigde aan dat ze de steller van het artikel in kwestie
zou vervolgen op grond van de wet op het racisme. Natuurlijk
komt het rasbegrip in het hele artikel nergens voor, evenmin
als een oproep tot diskriminatie op etnische of religieuze
gronden (wel wordt zulk een oproep vanwege de genoemde
imaam geciteerd, maar dat schijnt de Liga niet te verontrusten).
Er worden alleen een aantal feiten in opgesomd, die noch
door de Liga noch door anderen weerlegd of, voorzover
mij bekend, zelfs maar tegengesproken zijn. Rechtsvervolging
tegen de auteur van het artikel is noch min noch meer
een poging om elke islamkritiek als zodanig strafbaar
te maken.
Ik hoop dat de vrijheidslievende burgers van dit land
beseffen dat ze de gerechtelijke bestraffing van ideologiekritiek
in het algemeen en islamkritiek in het bijzonder, absoluut
moeten verhinderen. Nu schrijvers in de moslimwereld hun
leven wagen voor het vrije denken, moet elke vorm van
sanktie (juridisch, maar ook b.v. beroepsmatig) tegen
de auteur van een kritisch stuk over de islam als een
dramatische en ontoelaatbare achteruitgang van de intellektuele
vrijheid in dit land beschouwd worden.
Rechtsvervolging is overigens niet de enige manier om
islam-kritici te doen betalen. Men kan hen ook in hun
karrière treffen, zoals met het ontslag van de Franse
ambtenaar Jean-Claude Barreau in 1991. Men kan hen ook
isoleren door middel van een media-hetze : dit procédé
hebben we in 1992-95 in eigen land kunnen volgen, rond
de figuur van Achille Moerman. Deze liberaal in hart en
nieren verliet de VLD toen zijn kritiek op de islam aanleiding
gaf tot gepraat achter zijn rug over "extreem-rechtse
sympathieën", wat hem binnen de partij isoleerde. Hij
vervoegde de pas opgerichte partij Waardig Ouder Worden,
en was in 1994 haar lijsttrekker tijdens de verkiezingen
voor het Europees Parlement.
Kort daarop werd de kampanje tegen Moerman uitgebreid
van de liberale kringen waarin hij verkeerde naar de nationale
media. Enkele leerkrachten en direktieleden van het Hoger
Pedagogisch Instituut van Laken poogden om de voorzitter
van hun schoolraad, dezelfde Achille Moerman, te doen
afzetten wegens "zijn extreme en racistische sympathieën".
Dit was het recht streeks resultaat van een hetze tegen
Moerman in een Vlaams ochtendblad, met in de hoofdrol
BRTN-medewerker Lucas Catherine. Moerman kreeg wel het
vertrouwen van de schoolraad, maar intussen was zijn positie
binnen de WOW ongemakkelijk geworden, want nogal wat leden
haakten ingevolge deze hetze af. Hoewel "racisme" een
bespottelijke aantijging is voor een kosmopoliet als Moerman
(die twintig jaar in moslimlanden gewoond heeft), blijkt
nogmaals dat laster een buitengewoon efficiënt wapen is.
Eén van de aangrijpingspunten van deze kampanje tegen
Moerman was zijn boutade : "Ik ben geboren als anti-klerikaal,
heb geleefd als anti-kommunist, en zal sterven als anti-islamiet",
waarvan het laatste deel als titel boven een artikel gebruikt
werd. Hij geeft hiermee gewoon uiting aan zijn radikale
vrijzinnigheid. Moerman verwerpt de religie, waarin hij
ondermeer ook de wortels van het racisme zegt te herkennen.
Historisch kan dit kloppen : met name is de islamitische
negerslavernij de wieg van het blanke anti-zwarte racisme,
dat nadien door de Europeanen overgenomen werd. Inmiddels
verduidelijkt Moerman zijn boutade : "Ik hoop te sterven
zoals ik heb geleefd : als humanist, die niet aanvaardt
dat mensen vermoord worden omwille van hun opinies, zoals
die veertiende journalist die ze enkele dagen geleden
in Algiers uit de weg hebben geruimd."
Ach, ook zonder hem uit de weg te ruimen is de eerste
Vlaamse vrijzinnige die eindelijk het probleem van de
islam aan de orde stelt, door deze hetze voldoende beschadigd.
Het zal nu twee keer zo lang duren eer er een tweede zijn
mond durft opendoen om half zo veel te zeggen. Tenzij
onze vrijzinnigen zich eens bezinnen over wat hun goeroe
Voltaire overkomen is.
5.10. "Mahomet, ou le fanatisme"
Een groep Vlaamse akademici, meestal van militant vrijzinnige
signatuur, heeft in 1994 een steunplatform voor de "gelijkberechtiging
van de islam" opgericht. Konkrete bedoeling was, de financiering
van het islam-onderricht in het openbaar onderwijs vlot
te krijgen, want de wettelijke toegezegde subsidies zijn
jarenlang niet uitbetaald omdat er geen voor de overheid
aanvaardbaar vertegenwoordigend orgaan van de moslim-gemeenschap
was. Tot dusver blijkt uit niets dat deze akademici aangaande
de islam enige kompetentie bezitten. Hun initiatief stelt
echter de verhouding tussen islam en vrijzinnigheid aan
de orde.
Bij de aanvang van de Duivelsverzen-affaire steunden,
tot bittere teleurstelling van Rushdie, vele vrijzinnige
literati in India het verbod op zijn boek. Daar zoals
hier zijn er n.l. twee soorten vrijzinnigen, de echten
en degenen die de islam uitsluiten van de kritiek die
zij roetinematig op andere religies afvuren. Zoals de
historicus Sita Ram Goël vaststelt : "Zij zijn op hun
moedigst wanneer ze diegenen kunnen aanvallen die niet
terugslaan. Al vele jaren vallen zij het hindoeïsme aan,
maar ze vluchten naar hun rattenhol zodra de islam zijn
klauwen ontbloot." Naar Vlaanderen getransponeerd : het
is gemakkelijker om tegen een tandeloos geworden Kerk
te schoppen dan om de islam in vraag te stellen.
De islam en zijn zoollikkers in ons midden dagen steeds
openlijker ons systeem met zijn diverse vrijheden uit.
In juni 1994 forceerden zij een belangrijke symbolische
doorbraak met hun suksesvol protest tegen het opvoeren
van een toneelstuk van Voltaire, de patroonheilige van
de vrijzinnigheid. In Genève had men besloten, Voltaires
driehonderdste verjaardag te vieren met de opvoering van
al zijn toneelstukken, inbegrepen Mahomet ou le fanatisme,
een stuk uit 1741, gericht tegen de religieuze onverdraagzaamheid,
en gebaseerd op het ware verhaal dat Mohammed zijn kritici
één voor één liet vermoorden of terechtstellen. Na protest
vanwege moslimorganizaties (nee, niet "fundamentalisten",
wel door de overheid gesubsidieerde kulturele centra)
overwoog het stadsbestuur in alle ernst, het stuk te schrappen.
Omdat dat een wel zeer merkwaardige manier zou zijn om
de grote vrijdenker te huldigen, werd het uiteindelijk
een afgezwakte versie van hetzelfde : de opvoering van
het stuk zou door de overheid wel toegelaten maar niet
gefinancierd worden. De regisseur dan maar op zoek naar
private sponsors. Maar door de kommotie en de gevestigde
reputatie van de islam voor (laat ons zeggen :) strijdbaarheid,
durfde niemand zijn nek uitsteken, en bij gebrek aan fondsen
werd het stuk dus niet opgevoerd.
De islam heeft een slag gewonnen in de oorlog tegen
Voltaire en de Verlichting. Het is voor de Vlaamse
vrijzinnigen tijd om te kiezen aan welke kant zij staan.
Vanwege de vrijzinnige professoren die in dezelfde periode
het platform "Akademici voor de Gelijkberechtiging van
de Islam" lanceerden, heb ik geen protest gehoord tegen
het muilkorven van Voltaire door de islam. Dat sommigen
van hen aan de Gentse universiteit het initiatief genomen
hebben om in maart 1995 een eredoktoraat aan Taslima Nasrin
toe te kennen, beschouw ik dan ook hoofdzakelijk als een
kras staaltje van hypokrisie. Herlees de eerder aangehaalde
uitspraken van de Bengaalse blasfemiste over de islam
en de Koran, verbeeld je vervolgens dat een Vlaming diezelfde
uitspraken doet, en vraag je dan af of hij nog ooit in
aanmerking zou komen voor een job of een eredoktoraat
aan de Gentse universiteit. Ikzelf ben precies omwille
van dergelijke standpunten over de islam geweerd van een
lezingenreeks aan de RUG waarvoor sommige RUG-personeelsleden
mij als spreker hadden willen uitnodigen.
In een gesprek met Lieve Joris zuchten Arabische intellektuelen
dat hun kultuur nog steeds geen Voltaire heeft voortgebracht.
(27) Wat mij meer verontrust, is dat ook Europa geen Voltaire
meer heeft, geen vrijdenker die de waarheid durft zeggen
over "Mahomet ou le fanatisme".
5.11. Islamkritiek en racisme
De moedjahedien hebben moordwapens, hun handlangers in
ons midden hebben dooddoeners. Het doel is hetzelfde :
elke ernstige islamkritiek de kop indrukken.
De pleitbezorgers van de islam hebben niet veel analyse
nodig om islamkritiek te duiden. Zij hebben hun dooddoeners
immers klaar : het gaat gewoon om "racistische vooroordelen"
van "extreem-rechts". Dit is uiteraard een volkomen eurocentrische
argument, want alleen hier valt de tegenstelling tussen
ongelovige en moslim iet of wat samen met verschil tussen
lichtblank en donkerblank. (28) Hoe dan ook, laat ons
deze veelgehoorde associatie hier even verifiëren.
Wat hebben Salman Rushdie, Taslima Nasrin, Ram Swarup,
Sita Ram Goël, Anwar Shaykh, Mohamed Rasoel en Bat Ye'or
met elkaar gemeen ? Wat hebben zij gemeen met de Turkse
marxist Aziz Nesin ("Er moet een einde komen aan de duizendjarige
tirannie van de Koran") ? Met V.S. Naipaul, die in Among
the Believers de levende islam op de korrel neemt
en in een recent interview aanklaagt dat de moslims geen
enkel gewetensonderzoek doen in verband met de slavernij
? (29) Met Maryse Condé, die in haar roman Ségou de Afrikaanse
kijk op de islam weergeeft ("De islam is een mes dat tweedracht
zaait, dat verwondingen toebrengt waarvan we niet meer
genezen") ? Met Ibn Warraq die in zijn boek Why I am not
a Muslim zijn mede-moslims met een grondige en
omstandige islamkritiek de weg naar de emancipatie uit
de mohammedaanse dwaling wijst ("het beste wat men voor
moslims kan doen, is hen van de islam te bevrijden") ?
(30)
Wat zij gemeen hebben zijn niet hun politieke opvattingen,
die een brede waaier vertegenwoordigen waarin alleen "extreem-rechts"
ontbreekt. Wel dat zij meer moed hebben dan onze multikul-ajatollahs,
en meer huidpigment. Terwijl blanke paters en logebroeders
de inplanting van de islam in België organizeren, sneuvelen
zwarte christenen en heidenen in Soedan door het zwaard
van de islam. Het verzet tegen de islam is inderdaad bruin
en zwart, niet qua politieke maar qua huidskleur.
<<PAGE
1 <<PAGE
2 <<PAGE
3 <<PAGE
4