4. Lotgevallen der niet-moslims
4.1. Joden en christenen in heidens Arabië
In het overwegend heidense Arabië woonden minderheden
van christenen (vooral in Jemen) en joden (vooral in Medina).
Zij werden net als vele andere sekten door de Arabische
heidenen getolereerd en in zekere mate geassimileerd,
b.v. de joden hadden Arabische namen.
De eerste konfrontatie tussen het heidense centrum Mekka
en de christenen vond plaats tijdens het "jaar van de
olifant", 570 n.Chr., volgens de traditie het geboortejaar
van de profeet Mohammed. In dat jaar marsjeerde een met
olifanten uitgerust leger geleid door Abraha, de goeverneur
van Jemen voor het christelijke Ethiopische rijk, op naar
Mekka, met de bedoeling het heiligdom van de heidense
Arabieren te vernielen : de Kaäba ("kubus"). Dit vierkante
gebouw herbergde de vereerde Zwarte Steen en 360 godenbeelden,
en was in de eerste plaats toegewijd aan de maangod Hoebal,
zowat de Arabische tegenhanger van de hindoe-god Sjiva
(merk op dat de maansymboliek nadien op de islam overgegaan
is, zodat tal van moslimlanden nu de maansikkel in hun
vlag voeren). (1) Toen het Ethiopische leger door een
epidemie getroffen werd en onverrichterzake moest terugkeren,
beschouwden de Arabieren dit als een tussenkomst van Hoebal.
Eigenlijk was Mekka voor dat Ethiopische leger maar een
extraatje bovenop zijn eigenlijke, suksesvol uitgevoerde
opdracht : een einde maken aan het bewind van de joodse
prins Dhoe Noewaas in Jemen. Die had gewapenderhand de
macht gegrepen in Zuid-Arabië en vervolgde er behalve
de heidenen ook de kleine christelijke gemeenschap, zodat
deze de hulp van Ethiopië inriep. Daar deed zich dus een
omkering van de gebruikelijke rolverdeling voor : een
joods machthebber die christenen (en heidenen) vervolgde
en zelfs tot bekering dwong. (2) Het waren de eerste moeilijkheden
geweest voor de christenen in het Arabisch schiereiland,
omdat de polytheïstische heidenen nooit bezwaar hadden
gemaakt tegen een kultus meer of minder. Islamitische
bronnen beweren zelfs dat de Kaäba ook afbeeldingen van
Jezus en Maria bevatte.
Na het schrikbewind van Dhoe Noewaas en de aanval van
de Ethiopische generaals Arjaat (die één derde van de
Jemenitische vrouwen en kinderen als slaaf naar Ethiopië
stuurde) (3) en Abraha dachten de Arabische heidenen zo
het hunne van de joodse en christelijke monotheïsten.
Hun beleid van verdraagzaamheid en pluralisme bleef echter
ongewijzigd.
Het christelijke Ethiopië komt opnieuw in beeld enkele
jaren nadat Mohammed zichzelf als sekteleider gelanceerd
heeft. Toen de Mekkanen sommige volgelingen van Mohammed
onder druk gingen zetten om op te houden met deze anti-sociale
nieuwlichterij, besloot Mohammed om hen naar een gastvrijer
oord te sturen. Zij kregen asiel in het christelijke Ethiopië.
Dit werd door de Mekkanen als een bijzonder vijandelijke
daad beschouwd. Ethiopië was immers de laatste buitenlandse
vijand van de Arabieren geweest, en wie daar steun ging
zoeken, was dus een verrader.
Volgens de islamitische versie moesten de moslims wel
vluchten omdat zij in Mekka vervolgd werden; het is echter
zeer goed mogelijk dat zij net als alle andere minderheden
in Arabië door de heidenen getolereerd werden, en dat
hun trip naar Ethiopië gewoon als doel had, met een verhaal
over vervolgingen (geïnspireerd op het bericht over de
vervolging door Dhoe Noewaas dat de Ethiopiërs destijds
tot een interventie in Jemen bewogen had) een Ethiopische
invasie uit te lokken. De Mekkanen hadden het alleszins
zo begrepen, en uit het feit dat zij uiteindelijk voor
Mohammeds harde hand het hoofd moesten buigen, volgt geenszins
dat zij ongelijk hadden. Alleszins, ook de dreiging van
een nieuwe Ethiopische invasie leidde niet tot enige represailles
tegen de Arabische christenen.
4.2. Joden en christenen onder de islam
Het is pas onder Mohammed dat de joden en christenen in
Arabië in de problemen kwamen. Mohammed kon het de joden
niet vergeven, dat ze ondanks zijn overname van joodse
gebruiken (besnijdenis, verbod op varkensvlees, gebedsrichting
Jeruzalem) zijn zogenaamd profeetschap maar doorgestoken
kaart vonden. De eerste twee joodse clans werden verbannen,
met achterlating van hun rijkdommen. Van de derde clan
werden alle mannen gedood, een zevenhonderd, en de vrouwen
en kinderen werden als slaaf verkocht. Daarmee was de
eerste islamitische staat judenfrei. Ook joodse
stammen in de naburige oases werden aangevallen en gedeporteerd.
Tijdens de afrekening met de joden liet Mohammed zich
soms positiever uit over de christenen, en die enkele
verzen (b.v. 5:82, waarin joden en heidenen als "hevigste
vijanden der gelovigen" kontrasteren met de christenen,
de "naasten hunner in genegenheid voor de gelovigen")
grijpt men vandaag aan om er een grondslag voor christelijk-islamitische
verstandhouding van te maken. Men moet echter beseffen
dat Mohammed hen alleen prefereerde omdat hij van hen
meer geestdrift over zijn profetische aanspraken verwachtte,
dus grotere bereidheid om moslim te worden. Hij
maakte trouwens plannen om het christelijke Byzantijnse
rijk aan te vallen. Nog tijdens zijn leven vond de eerste
invasie plaats, maar het Byzantijnse leger had weinig
moeite om het bedoeïenenlegertje op de vlucht te jagen;
des te groter was de verrassing toen Mohammeds opvolgers
enkele jaren later de Byzantijnse militaire macht wegvaagden.
De behandeling van de joden van de oase Chaibar zou een
belangrijk precedent vormen voor de wetgeving aangaande
joden en christenen in de latere islamitische rijken.
De joden mochten daar blijven wonen, maar ze moesten de
helft van hun inkomen afstaan. Men haalt dat tegenwoordig
aan als een bewijs van Mohammeds tolerantie, maar er is
een andere interpretatie mogelijk : in plaats van de rooftocht
kwam hier de systematische afpersing als bron van inkomsten
voor de islamitische schatkist. Bovendien was deze overeenkomst
eenzijdig : de joden konden geen rechten doen gelden,
want de moslims behielden zich het recht voor, haar op
te zeggen. Enkele jaren later deden ze dat ook, en moesten
de joden van Chaibar Arabië verlaten. Samen met alle andere
joden en christenen trouwens.
De verbanning van joden en christenen was dan nog een
voorkeurbehandeling, want de heidenen kregen deze optie
niet : zij hadden slechts de keuze tussen de bekering
en de dood. Men spreekt soms klaaglijk (en vele christenen
ook met enig schuldgevoel) over de slechte behandeling
van de joden in christelijk Europa zowel als in de moslimwereld.
Inderdaad, de behandeling van de joden blijft een schoolvoorbeeld
van onverdraagzaamheid, vaak ook van de heilloze kracht
van stompzinnige vijandbeelden (de verhalen over rituele
kindermoord in synagogen e.d.). Men moet er echter bij
zeggen dat de joden altijd nog veel beter af waren dan
de heidenen, een religieuze kategorie waarvan in de meeste
christelijke en islamitische landen de laatste resten
sinds lang uitgeroeid zijn.
Met de verovering van wat men vandaag het Midden-Oosten
noemt, kregen de kaliefen de macht in handen over omvangrijke
niet-islamitische bevolkingen. In de regel werd daarbij
volgend onderscheid gemaakt : joden en christenen ("volkeren
van het Boek") mochten op een aantal voorwaarden hun religie
behouden, echte heidenen moesten kiezen tussen de islam
of de dood. Op deze regel bestonden in beide richtingen
uitzonderingen : in steden die hardnekkig weerstand geboden
hadden, kreeg vaak iedereen de keuze tussen de dood of
de bekering, ook joden en christenen; omgekeerd kregen
met name de zoroastriërs in Iran vaak dezelfde behandeling
als de "volkeren van het Boek". Op lange termijn was het
effekt van dit onderscheid nochtans onmiskenbaar : binnen
enkele eeuwen waren het boeddhisme in Centraal-Azië, het
hindoeïsme in Afganistan en het zoroastrisme in Iran praktisch
volledig verdwenen; daarentegen bleven de christenen in
Egypte en Syrië de meerderheidsreligie tot aan de Mongoolse
invallen (13de eeuw), in Libanon zelfs tot halfweg de
20ste eeuw.
De onderworpen niet-moslims in de islamwereld moesten
een statuut van rechteloze niet-burgers aanvaarden : de
dhimma, het charter van bescherming. De belangrijkste
regel van het dhimmi-statuut was de hoge "gedoogbelasting"
of djizia. Deze kwam doorgaans nog bovenop de landbelasting,
want de landbouw bleef eeuwenlang het werk van christenen
(en in Zuid-Azië van hindoes), voorzover er geen zwarte
slaven voor ingezet werden. De djizia was eeuwenlang de
voornaamste bron van inkomsten voor het kalifaat. Dit
temperde natuurlijk de wil van de kaliefen om de ongelovigen
tot de islam te bekeren. Enkele ijveraars stelden de religie
voorop, en zeiden dat "Mohammed geen belastingontvanger
was". Maar vele islamitische heersers waren eerst heerser
en dan pas islamiet, en lieten de dhimmi's rustig betalen
voor het recht om in hun eigen, door de islam bezet land
te overleven. De djizia is dé reden waarom er tot in de
twintigste eeuw christelijke en joodse gemeenschappen
zijn blijven bestaan in de moslim-wereld. Deze belasting
oefende zelf wel een konstante druk uit op de dhimmi's
om zich tot de islam te bekeren, waarbij de overblijvende
gemeenschappen zelfs bij verminderend ledental vaak de
tevoren vastgestelde djizia-bedragen moesten blijven betalen.
Maar zij weerhield vele moslim-heersers ervan om aktief
verdere maatregelen te nemen om de bekering van de dhimmi's
te bespoedigen.
Het aantal niet-moslims is wel konstant verminderd. De
steile ongelijkheid tussen moslims en niet-moslims is
dé reden waarom mensen zich tot de islam bekeerd hebben.
Zo oefende de rechtspraak een belangrijke bekeringsdruk
uit : een niet-moslim mocht geen getuigenis afleggen tegen
een moslim, en was in een geding met een moslim gedoemd
om zijn proces te verliezen tenzij hij zich bekeerde.
Allerlei ambten waren niet toegankelijk voor niet-moslims,
dus vele ambitieuze mannen bekeerden zich om hogerop te
geraken. Gemengde huwelijken betekenden systematisch de
bekering van de niet-islamitische partner (ook vandaag
nog, ook in België en Nederland). Ook de frekwente pogroms,
onteigeningen, uitdrijvingen en allerhande vernederingen
maakten het lastig om het meegekregen geloof trouw te
blijven, en oefenden een voortdurende bekeringsdruk uit.
In het Ottomaanse rijk, volgens Mon Detrez "het beste
dat de Balkan ooit is overkomen", werden de niet-moslims
niet alleen financieel belast, maar moesten zij, van de
veertiende tot de zeventiende eeuw, ook één vijfde van
hun kinderen afstaan (de devsjirme of "bloedbelasting").
Die werden dan onder dwang bekeerd, en afgevoerd om te
dienen in speciale legereenheden, de Janitsaren-regimenten.
Dezen hadden vaak als taak, de opstanden van hun eigen
verwanten neer te slaan. De haat van de Bulgaren en de
Serviërs tegen de Turken en de Slavische moslim-kollaborateurs
(die zich door bekering aan de last van onteigeningen,
djizia en devsjirme onttrokken om er juist
mee van te profiteren) is heus niet uit de lucht komen
vallen.
De neergang van de christenen in de moslimwereld is echter
zelden zo dramatisch geweest als in de 20ste eeuw. Bevolkingsstatistieken
voor Libanon, Egypte en de Palestijnse gemeenschap geven
een konstante daling te zien, deels door een progressievere
houding tegenover geboortenbeperking, deels echter door
emigratie naar veiliger en toleranter oorden. In Turkije,
de bakermat van de Kerk, is nu minder dan één procent
van de bevolking christen; een eeuw geleden was dit nog
ruim 30%. Behalve om Armeniërs uitgemoord in de genocide
van 1915-17, Grieken uitgemoord of verdreven na de mislukte
poging van het Griekse leger om de Ionische kust te bevrijden
in 1922, en Bulgaren en Grieken die tegen Balkan-Turken
uitgewisseld werden, gaat het vooral om Assyriërs en Chaldeeërs
uit Zuidoost-Turkije. Het isolement dat hen eeuwenlang
enigermate beschermde, is door toenemende bevolkingsdruk
en beter transport verdwenen, en de laatste decennia zijn
zij vrij systematisch geterrorizeerd en weggejaagd.
Ook in België leven duizenden vluchtelingen uit het Turkse
zuidoosten, en dat zijn dan degenen die het er levend
van af gebracht hebben. De BRTN-Panoramaploeg had onlangs
nog de slechte smaak om een vluchtelingengemeenschap van
Chaldeeuwse christenen in Brussel op te voeren als een
bewijs dat niet alle immigranten uit Turkije moslim-fundamentalisten
zijn. Zij werden uiteraard niet voor de mikrofoon gehaald
om ter attentie van de Belgische kijkers eens hun mening
over de islam te geven. Moslims merken terecht op dat
het sekuliere Turkije de christenen eigenlijk slechter
behandelt dan het Ottomaanse rijk gedaan heeft. Let wel,
de Turkse overheid onder Atatürk heeft enkele gestes gedaan
naar de christenen toe, zoals de teruggave van tot moskee
omgevormde kerken en de sekularizering van de Aja Sofia
(die als sekulier gebouw opnieuw toegankelijk werd voor
de christenen, aan wie het gebouw eigenlijk toebehoort),
en had zeker de bedoeling om de christenen in het zuidoosten
tegen het moslimgeweld te beschermen. Feit is echter dat
het leger, de politie en het gerecht nooit werk gemaakt
hebben van de bestraffing van de voortdurende moslim-terreur
tegen de christenen. Wellicht vonden zij dat christenen
in een sekuliere staat niet langer de "bescherming" van
het dhimmi-statuut genieten en dus ten volle blootgesteld
mogen worden aan de haat jegens de ongelovigen die het
Koran-onderricht er bij de ontvankelijke moslim inpepert.
4.3. Al-Andaloes
De veelgeroemde "islamitische tolerantie" was een relatie
van steile ongelijkheid en geïnstitutionalizeerde afpersing.
Bovendien heeft zelfs deze zeer voorwaardelijke tolerantie
niet altijd gegolden. Men verwijst graag naar het emiraat,
later kalifaat, van Cordova (756-1031), dat een grote
bloei van de joodse kultuur toeliet, en men kontrasteert
deze situatie met die van na 1492, toen de joden moesten
vluchten en ondermeer in het Ottomaanse rijk een onderkomen
vonden. Welnu, onder de Berberse Almohaden-dynastie (1147-1269)
is juist het omgekeerde gebeurd : de joden werden gedwongen
zich tot de islam te bekeren, en velen vluchtten naar
het christelijke Noord-Spanje. Als men het statuut van
joden en christenen onder moslim-bestuur als "tole rantie"
bestempelt, dan moet men minstens hetzelfde kompliment
geven aan de christelijke staten van Noord-Spanje, die
ruwweg van 1085 tot 1370 de islamitische regeling t.a.v.
de ongelovigen nabootsten. De vorsten van Castilië en
León noemden zich zelfs "heer der drie godsdiensten";
zij werden in ca. 1200 door paus Innocentius III berispt
omdat ze de joden te goed behandelden. De grote verdiensten
van de Moren voor de klassieke kultuur moeten ook tot
hun juiste proporties teruggebracht worden. De terecht
beroemde vertaalschool van Toledo, die vele werken uit
de klassieke oudheid ter beschikking van de middeleeuwse
christenheid gesteld heeft, werd vooral door christenen
bemand, want zij moesten toch het Arabisch van de heersers
leren, terwijl deze laatsten zich zelden in Spaans en
Latijn verdiepten. Bovendien wordt tot meerder glorie
van de islam altijd een ander en belangrijker doorgeefluik
van het klassieke erfgoed miskend : Byzantium, dat ondermeer
ook aan de moslims de kennis gegeven had die zij via Spanje
aan onze voorouders zouden doorgegeven hebben.
De beroemde wijsgeer Ibn Rosjd (Averroës), die nu als
een pluim op de hoed van de islam gestoken wordt, was
van belang juist door zijn bewerking van de heidense filosofie
van Aristoteles, die door de islam krachtig verworpen
werd. Ibn Rosjd moest vervolging en ballingschap verduren
om zijn heidense twijfel aan de geschapenheid van het
heelal, om zijn pleidooi voor de rechten van de vrouw,
en om zijn geloof in de autonomie van de rede. Zijn werk
heeft op het islamitisch denken veel minder invloed gehad
dan op de christelijke scholastiek. Het doorgeven en ontwikkelen
van het antieke ideeëngoed gebeurde niet dankzij maar
ondanks de islam.
We zien ook dat de christenen zelden aarzelden om van
een verzwakking van de islamitische macht, b.v. door de
rivaliteit tussen Berbers en Arabieren, gebruik te maken
om in opstand te komen. Het was slechts met een drakonische
aanpak dat emier al-Hakam (796-822) de opstanden in ondermeer
Toledo en de voorsteden van Cordoba kon onderdrukken en
de vrede afdwingen. Zijn opvolger Abd-al-Rahman II kreeg
te maken met een merkwaardige vorm van individuele godsdienstige
rebellie : christenen die het martelaarschap zochten door
in het openbaar de profeet Mohammed te beledigen, een
vergrijp waarop de doodstraf staat. De wijze emier loste
dit op door overleg met de bisschoppen, die dit martelaarschap
in 851 verboden. De opstand van de islam-afvallige Ibn
Hafsoen in 880 vond opnieuw veel steun bij de christelijke
volksmassa en doofde pas uit na vijftig jaar. Blijkbaar
waren de christenen toch niet zo tevreden met hun statuut
in de islamitische samenleving, en dat in een tijd waarin
hardvochtige heersers doorgaans als een onvermijdelijk
feit des levens aanvaard werden.
Een neveneffekt van de politiek-religieuze verhoudingen
in Al-Andaloes was de versterking van de anti-joodse gevoelens
bij de christenen. Zonder af te dingen op het verhaal
van de joodse "moord op Jezus" als grondslag voor het
christelijk anti-semitisme, kunnen we toch stellen dat
de "joodse kollaboratie met de moslims" een bijkomende
faktor van anti-semitisme vormde. Voor de joodse minderheid
was er geen perspektief om door opstand de macht te grijpen,
zoals voor de christenen, noch om paleisrevoluties te
beramen, zoals ambitieuze moslims wel eens deden. De islamitische
overheid vond in de joden dan ook betrouwbare medewerkers
: zij kregen soms politionele en zelfs ministeriële funkties.
De christenen associeerden de joden met het gehate moslim-bewind,
en het is mede daarom dat de kruistochten elders in Europa
ingeleid werden door anti-joodse pogroms.
De mythe van het tolerante Al-Andaloes is niet zonder
konkreet politiek belang. Zij is niet alleen het glijmiddel
om de islam in het algemeen aanvaardbaar te maken, maar
ook het koninginnestuk van de propaganda voor de wederoprichting
van een islamitische staat in Andaloesië. Inderdaad, er
bestaat een Andaloesisch Bevrijdingsfront, dat naar eigen
zeggen vooral Morisco's groepeert, moslims die vijfhonderd
jaar lang in het geheim hun religie bewaard hebben, en
pas weer met de islamwereld kontakt kregen toen generaal
Franco met zijn Marokkaanse troepen het land veroverde.
Met 1631 stemmen bij de jongste verkiezingen staat het
Front nog wat zwak om zijn eisen hard te maken, maar het
zoekt nu aansluiting met de naar eigen schatting bijna
een miljoen Noordafrikanen die illegaal in Andaloesië
verblijven.
Een van de ideologen is Rasjied Djibali, een Marokkaans
historicus wiens voorouders na 1492 Spanje ontvlucht zijn
maar de Andaloesische erfenis levend gehouden hebben.
Aan het woord gelaten in een sympathizerend artikel, spreekt
hij konsekwent over "de Spaanse bezetter" en "het christelijk
kolonialisme", en beschouwt hij de herstichting van een
onafhankelijk Al-Andaloes als rechtsherstel. (4) Hij vergeet
daarbij terloops eventjes dat het christendom al vóór
de islam in Spanje leefde, dat juist de moslim-heerschappij
een met geweld opgelegde bezetting was, en dat op basis
van dit soort historische gebiedsaanspraken de meeste
islamitische gebieden zouden moeten teruggegeven worden
(b.v. het Armeense noordoosten en de Griekse westkust
van Turkije, die pas in 1915-24 op uiterst bloedige wijze
verturkst zijn).
Partijleider Abdoelrahman Medina zegt dan weer dat de
Morisco's eigenlijk alleen maar willen dat Spanje de belofte
zou nakomen die koning Ferdinand in 1492 gedaan had :
de joodse en islamitische religie en wetgeving te respekteren.
In dat geval hebben ze weinig te klagen : reeds in 1940-45
mochten joden van Spaanse afkomst naar Spanje terugkeren,
en de moslims hebben zopas in Madrid de grootste moskee
van Europa voltooid. Blijkbaar is dat niet voldoende,
want Medina hees op 2 januari 1992 de vlag van Al-Andaloes
op het Alhambra in Granada, om alvast symbolisch de onafhankelijkheid
uit te roepen.
4.4. Slavernij
De erfenis van Al-Andaloes die het meeste mensenlevens
beïnvloed (en verwoest) heeft, is wel de koloniale slavernij.
Talloze christelijke bewoners van en reizigers in het
Middellandse Zeegebied zijn in de loop der eeuwen door
moslims ontvoerd en tot slaaf gemaakt; er was in Europa
dan ook een hele industrie van opsporing en vrijkoping
van slaven in "Barbarije".
Iedereen weet dat de Spanjaarden kort na de verovering
van Amerika miljoenen Indianen als slaven tewerkstelden
in mijnen en op plantages. Minder bekend is dat de slavernij
tegen 1492 in de christelijke wereld eigenlijk een marginaal
verschijnsel geworden was. Italiaanse kooplieden verhandelden
nog wel eens Slavische en Kaukasische slaven, aangekocht
op de Zwarte-Zee-slavenkust van de islamitische Tataren
(die de slavenjacht nog zouden voortzetten tot aan de
Russische verovering van de Krim). Sedert de val van Byzantium
in 1453 echter kwamen deze blanke slaven nog bijna uitsluitend
op de islamitische markt terecht. In de meeste christelijke
landen was de slavernij tijdens de late middeleeuwen afgeschaft,
en als de Spanjaarden en Portugezen ze wederinvoerden,
dan was dit in navolging van een model dat ze in Al-Andaloes
hadden leren kennen.
Nu de islam naarstig missioneert onder Afrikaanse en Amerikaanse
zwarten, is de islamitische slavernij een taboe-onderwerp.
Recente publikaties van Bernard Lewis en van David Brion
Davis zijn dan ook een revelatie voor al wie geen vrede
neemt met het mistgordijn dat rond de minder fraaie aspekten
van de islam opgetrokken is. Davis schrijft : "In de vijftiende
eeuw, toen Europa klaar was voor een spektakulaire expansie
en kolonizatie, funktioneerde in de moslim-wereld al een
slavensysteem gebaseerd op Afrikaanse werkkracht, kompleet
met suikerplantages en een volledig uitgebouwde slavenhandel
uit Oost-, Centraal- en West-Afrika." (5) Over de omvang
van deze islamitische slavernij schrijft Davis : "De invoer
van zwarte slaven in moslim-staten van Spanje tot India
vormde een kontinuë, grootschalige migratie die in aantallen,
over een periode van twaalf eeuwen, de Afrikaanse diaspora
naar de Nieuwe Wereld zeer wel kan overtreffen." (6) Tel
daarbij dat ook de meeste naar Amerika gevoerde slaven
van moslim-slavenhalers gekocht werden, en je weet dat
zeker 80% van de uit Zwart Afrika weggevoerde slaven door
moslims gehaald zijn.
De slavernij wordt door de islam volledig aanvaard.
Mohammed eiste een goede behandeling voor de slaven en
beschouwde het als verdienstelijk, een slaaf vrij te laten;
maar hij heeft nooit de slavernij zelf in vraag gesteld.
Integendeel, hijzelf nam op grote schaal slaven onder
de verslagen heidense stammen, en ook de Koran aanvaardt
en rechtvaardigt de slavernij. Sommige slaven liet hij
wel terugkopen door hun familie : het kanoniek precedent
voor de hedendaagse gijzelnemers van de Hezbollah, die
hun gijzelaars ook laten terugkopen tegen een flinke financiële
of politieke prijs.
Op gezag van het voorbeeld van de profeet geldt in de
islamwetgeving nog steeds dat een ongelovige die tijdens
de djihaad gevangen wordt, als slaaf mag gehouden of verkocht
worden. Een anti-slavernij-beweging zoals die van de Quakers
in de VS, is in de islamwereld dan ook nooit voorgekomen.
Het was slechts onder Westerse druk dat het Ottomaanse
rijk in 1856 de slavenhandel verbood, met uitzondering
dan nog van het belangrijkste knooppunt, de regio van
Mekka. Dat belet moslim-apologeten natuurlijk niet om
er prat op te gaan dat "de slavernij in het Ottomaanse
rijk eerder afgeschaft is dan in de VS", net alsof de
moslims daar ook maar één gram verdienste aan hadden.
Toen Mauretanië in 1982 (!) de slavernij officieel (maar
daarom nog niet in de praktijk) afschafte, oordeelden
de geraadpleegde schriftgeleerden dat "een regering de
bevoegdheid heeft om de slavernij af te schaffen", maar
dat "hiertoe geen religieuze verplichting bestaat". Met
zulk animo is het niet verwonderlijk dat de slavernij
er nog steeds bestaat, net als in Soedan, en ook in de
paleizen van onze bondgenoot Saoedi-Arabië wachten ongetwijfeld
nog duizenden Zuid-Soedanese slaven op bevrijding.
De negationist Lucas Catherine beweert echter dat de islamitische
slavernij "een koloniaal stereotiep" is, en dat "Zanzibar
het enige sultanaat (was) waar de slavernij enige ekonomische
betekenis had". (7) Dit is van dezelfde orde als de stelling
dat de Holokaust "een zionistisch verzinsel" is. (8) In
werkelijkheid was de hele islamitische ekonomie van Mauretanië
tot Bengalen gebouwd op enerzijds de slavernij en anderzijds
de uitbuiting van niet-moslims via de gedoogtaks. De toevloed
van zwarte slaven naar Noord-Afrika en West-Azië vormde
volgens D.B. Davis, zoals aangehaald, "een kontinuë grootschalige
migratie die in aantal de Afrikaanse diaspora naar Amerika
zeer goed kan overtreffen". Dat is de klassieke schatting,
waarbij men moet beseffen dat ook deze diaspora naar Amerika
voor een groot deel bestond uit slaven die door Europeanen
van moslim-slavenhalers gekocht waren.
Uit het nieuwste onderzoek blijkt dat de genoemde schatting
over de moslim-slavernij wellicht te laag was : zelfs
op het hoogtepunt van de Atlantische slavenhandel werden
er méér slaven naar de moslimwereld dan naar Amerika gebracht
(terwijl het omgekeerde had moeten waar zijn om de Europeanen
in drie eeuwen evenveel slaven te laten halen als de moslims
in dertien). Bewijsmateriaal over de slavenhandel in West-Afrika
in de koloniale tijd "doet betwijfelen dat de Atlantisch
handel de grootste van de twee was" en "suggereert dat
het volume slaven dat in de late 17de eeuw uit (Senegambia)
via de woestijn noordwaarts geëxporteerd werd, waarschijnlijk
tenminste tienmaal zo groot was als het volume slaven
dat voor de Atlantische slavenhandel uitgevoerd werd.
In de eerste helft van de 18de eeuw daalde deze verhouding
door de toename van de Atlantische handel. De tweede helft
kende een toename in slavenrooftochten vanuit de woestijn
met een bijkomende stroom noordwaarts slaventransport...
Deze noordwaartse stroom ging krachtig verder na de afschaffing
van de Atlantische slavenhandel en eindigde pas met het
opleggen van het Frans koloniaal gezag." (9)
Van de slaven weggehaald uit zwart Afrika is zeker 80%
door moslim-handen gegaan. Tel daarbij dan nog de miljoenen
blanke en de miljoenen Indiase slaven, en het staat vast
dat de islam in de wereldgeschiedenis de absolute kampioen
van de slavernij is. Catherine's betoog wordt echt
grotesk waar hij ons voorhoudt dat de slaven in de moslimwereld
het eigenlijk goed hadden. Als bewijs geldt de Batetela-opstand
(1897), die na de verdrijving van de Zanzibari slavenhalers
door de Belgen poogden om de Zanzibari heersers terug
binnen te halen : "Blijkbaar verkozen ze een 'Arabische
tiran' boven Leopold II". (10) Wat hij er niet bij zegt
: de Batetela waren een bevoorrechte enklave in de inlandse
bevolking geweest, en wel door met de Zanzibari's in de
slavenjacht te kollaboreren.De Baluba en andere geviseerde
stammen hadden minder heimwee naar de Arabieren.
Er is een zeer doeltreffend kriterium om te verifiëren
of de slaven het bij de moslims inderdaad beter hadden
: hun overlevingsgraad. Ooit bestond de helft van de bevolking
van zuidelijk Irak uit zwarte slaven. Dat zij in de 9de
eeuw de grootste slavenopstand uit de geschiedenis pleegden,
is al een duidelijke indikatie van hun graad van "tevredenheid".
Maar doorslaggevend is het simpele feit dat van deze miljoenen
zwarten in de huidige Iraakse bevolking genetisch praktisch
niets overblijft. Zodra de toevoer ophield, stierf dit
bevolkingsdeel snel uit. Volgens D.B. Davis komt dit door
"de hoge sterftegraad, assimilatie, en het feit dat vele
slaven gekastreerd werden". (11) Inderdaad, voordat de
Britten in 1877 ingrepen, werden in Soedanese steden op
industriële schaal negerjongens gekastreerd, een operatie
die driekwart niet overleefde. Ik vermoed dat ze toch
liever met vrouw en kind katoen geplukt hadden in Alabama,
waar de zwarten het demografisch niet slecht gedaan hebben.
Lucas Catherine beweert dat slaven het tot sultan konden
brengen, maar noemt als bewijs twee groepen die géén slaaf
waren : de zonen van haremslavinnen van de Zanzibari sultan,
volgens moslimrecht vrije mannen; en de Mameloeken-sultans,
die pas sultan werden nadat zij hun slavenstatuut effektief
afgeworpen hadden door manu militari de macht te grijpen.
Overigens waren de blanke slaven-soldaten ("mamloek")
een elite onder de slaven, en hadden de zwarte slaven
("abd") het veel slechter. Studies van B. Lewis, D.B.
Davis en C. Messailloux presenteren "overweldigend bewijsmateriaal
dat raciale slavernij ontstaan is in de middeleeuwse islamitische
samenleving" (Lewis), en dat de Europese negerslavernij
slechts een marktexpansie was van de moslim-slavenhandel.
De negerslavernij begon bij het eerste kontakt tussen
moslims en Bantoes, met de wapenstilstand tijdens de verovering
van Nubië (652), dat bij wijze van pril begin een jaarlijkse
schatting van 360 slaven moest betalen.
De slavernij vindt haar rechtsgeldig precedent in Mohammeds
eigen gedrag en behoort dus tot het wezen van de islam
(wat verklaart waarom juist het religieus personeel de
felste tegenstander van de afschaffing van de slavernij
geweest is). Ibn Chaldoen (14de eeuw) expliciteerde slechts
de orthodoxe leer toen hij de slavernij als "een vermomde
zegen voor de ongelovigen" omschreef. Een racist was Mohammed
niet, en de gelijkstelling van neger met slaaf ontstond
precies via de tussenterm "ongelovige" (Arabisch kaafir,
waarvan Afrikaans kaffer). Maar toen zwarten zich
bekeerden om aan de slavernij te ontsnappen, ondervonden
zij dat de vereenzelviging van zwart met slaaf reeds diep
ingeworteld was. Bekeerlingen die op bedevaart naar Mekka
gingen, werden er als slaaf verkocht, en nog in 1960 meldde
een Brits parlementslid dat zwarten naar Mekka meegebracht
werden "als levende traveller's cheques". Geen wonder
dat zelfs Lucas Catherine's lijfblad bevestigt dat er
in Mauretanië ook nu nog zwarte slaven zijn. (12)
4.5. Islam en racisme
Dat de islam zonder skrupules de slavernij op ongeziene
schaal beoefend heeft, was eigenlijk wel bekend aan wie
zich niet heeft laten inpakken door de moderne propaganda
voor de "egalitaire islam". Minder bekend is dat de moslim-wereld
hiermee ook de raciale slavernij en het anti-zwarte racisme
heeft voortgebracht. Bernard Lewis wijst in zijn boek
Race and Slavery in the Middle East op "het overweldigend
bewijsmateriaal dat de raciale slavernij zoals de moderne
wereld die gekend heeft, haar oorsprong vindt in de middeleeuwse
islamitische samenlevingen. Bleekhuidige Arabieren, Berbers
en Perzen vonden de lange-afstands-slavenhandel uit, die
miljoenen sub-Saharaanse gevangenen met kameelkaravanen
door de woestijn bracht, of met slavenschepen van Oost-Afrika
naar de Perzische Golf." (13)
Vanwaar de voorkeur voor zwarten als slaven ? Het
geloof dat zwarten minderwaardig zijn, is geenszins universeel
of van alle tijden. Sommige antieke volkeren in het grensgebied
van blank en zwart vonden de donkere huidskleur juist
mooi. In het Indiase Mahaabhaarata-epos wordt Draupadi
als een parel van donkerhuidige schoonheid geprezen, en
heet de sleutelfiguur Krisjna, wat wil zeggen "de zwarte".
Daar zijn het pas de Turkse veroveraars en hun hofdichters,
zoals Amier Chosrau, die hun kleurbewuste verachting zullen
uitspuwen over de hindoe "raafkoppen", d.w.z. zwarten
(in middeleeuwse Perzische teksten wordt het woord "hindoe"
zelfs synoniem met "zwart", ook in andere verbanden dan
de menselijke huidskleur). Ook in de Grieks-Romeinse oudheid
is er geen spoor van racisme en van een raciale basis
voor de slavernij. De beweringen dat het Indiase kastestelsel
een vorm van raciale apartheid is, dat het Griekse begrip
"barbaar" een raciaal begrip was, of dat Aristoteles de
mensen volgens ras als geschikt of ongeschikt voor de
slavernij bestempelde, zijn terdege weerlegde projekties
van de 19de-eeuwse Europese rassen-obsessie. (14)
Er zijn nochtans reeds enkele voorbeelden van geringschatting
van de zwarte huidskleur in de oudheid, te beginnen met
de verontschuldiging van de bruid in het Bijbelse Hooglied
: "Ik ben donker, maar ik ben mooi... Zie niet neer op
mij omdat ik donker ben." Het invloedrijkste voorbeeld
is de Bijbellezing van de Syrische Kerkvader Efrem van
Nisibis, die het verhaal van de vervloeking van Noachs
zoon Ham en diens zoon Kanaän op de zwarten betrok : dezen
zouden de afstammelingen van Ham zijn. Eigenlijk was de
Bijbelse vervloeking van Ham en Kanaän bedoeld als rechtvaardiging
voor de onderwerping en uitmoording van de Kanaänieten
(de inwoners van het Beloofde Land) door de Israëlieten,
en hadden de zwarten er niets mee te maken. Alleszins,
deze lezing van een Bijbelse vervloeking van het zwarte
ras bleef eeuwenlang zonder gevolg, totdat islamitische
en later christelijke slavenhalers haar gingen gebruiken
om de intussen gegroeide praktijk van zwarte-slavenhandel
te verantwoorden. Globaal kunnen we zeggen : hoewel de
geschiedenis vol is met etnisch geweld en kultuurvooroordelen
van beschaafde volkeren (Grieken, Chinezen) jegens hun
"barbaarse" buren, is het rassenvooroordeel pas laat op
de voorgrond getreden.
De opkomst van de islam valt samen met deze veranderde
waardering : "Als ik een bleke huid had, zouden de vrouwen
mij beminnen, maar de Heer heeft mij met zwartheid mismaakt",
zo dicht een Ethiopiër reeds in de eerste islamitische
eeuw. Een zwarte muzikant die het blanke Damaskus bezocht,
schreef : "Ik ben een zwarte. Sommigen onder u zullen
mij afstotelijk vinden. Ik zal daarom apart gaan zitten
om te eten." Zelfs verzen die het belang van huidskleur
ontkennen, getuigen onrechtstreeks van het bestaande vooroordeel,
b.v. : "Ook al is mijn haar kroezig en mijn huid
koolzwart, mijn hand is open en mijn eer schitterend".
(15)
Dit racisme verrast, omdat Mohammed (570-632) zelf alle
diskriminatie "tussen Arabier en niet-Arabier, tussen
blank en zwart" verboden had. Dat was nog in voortzetting
van de voor-islamitische toestand, toen de blanke Arabieren
respekt hadden voor hun zwarte Ethiopische en Zuid-Indische
buren, die immers een geavanceerdere materiële kultuur
en politieke organizatie hadden dan zijzelf. De islamitische
praktijk ging echter al snel verschillen van Mohammeds
richtlijnen. In de veroverde gebieden, van Spanje tot
Tadjikistan, diskrimineerden de Arabische veroveraars
niet alleen de ongelovigen maar ook de inlandse bekeerlingen.
De ongelijkheid tussen blank en zwart was reeds vanaf
de zevende eeuw een algemene praktijk, die ook theoretisch
onderbouwd werd. Maqdisi beschreef de Bantoe-slaven als
"mensen met zwarte huidskleur, platte neus, kroeshaar
en weinig verstand". (16) Ibn Chaldoen schreef dat negers
"weinig menselijks hebben en gelijkaardige eigenschappen
hebben als domme beesten". Negers waren volgens vele moslims
van nature geschikt voor de slavernij. Weliswaar werden
nog steeds vele blanke "christenhonden" als slaaf verhandeld,
maar het zwaarste en vuilste werk was doorgaans voor de
negerslaven.
Nu moet het gezegd dat een aantal schriftgeleerden hiertegen
reageerden. Zij stelden dat het belangrijkste onderscheid
niet dat tussen blank en zwart is, maar dat tussen gelovig
en ongelovig, en dat alle ongelovigen ongeacht hun huidskleur
even legitieme prooien voor slavenhalers zijn. Het is
dus niet de orthodokse islam die tot het racisme geleid
heeft. Toch kan de islam in deze niet vrijuit gaan. Door
de slaafneming van ongelovigen goed te keuren, en in het
bijzonder van heidenen (i.t.m. de relatief bevoorrechte
joden en christenen), heeft de islam de facto vooral de
zwarten vogelvrij verklaard.
Dit leidde ertoe dat men in de moslimwereld negers bijna
alleen in de rol van slaaf te zien kreeg. "De neger is
dom en stinkt", zo besloot de gewone man in Cordova of
Bagdad, want inderdaad werkte de slaaf zich als ongeschoolde
dommekracht in het zweet. Het is dus niet het rassenvooroordeel
dat tot de slaafneming van zwarten geleid heeft, maar
omgekeerd de feitelijke slavernij van de zwarte heidenen
die het rassenvooroordeel in de hand gewerkt heeft. Ook
de Spanjaarden onthielden uit hun ervaring met het moslim-bewind
dat "negers bij uitstek geschikt zijn voor de slavernij",
zodat de eerwaarde Bartolomé de las Casas in Amerika de
invoer van Afrikanen zou bepleiten om de Indianen te sparen.
In 1441 had de Portugese prins Hendrik de Zeevaarder in
Mauretanië een slavenkonvooi onderschept, en toen de gevangenen
voor hem paradeerden, mijmerde hij "met voldoening over
de verlossing van deze zielen die tevoren verdoemd waren".
Duizenden islamitische slavenhalers hadden eerder al hetzelfde
bedacht : voor de heidense neger was het eigenlijk een
goede zaak, om door de gelovigen als slaaf gebruikt te
worden. Nog in 1887 schreef de Nederlandse islamoloog
C. Snouck Hurgronje over de Arabische slavenhandel : "Voor
de meeste slaven was hun ontvoering een zegen (...) Zij
zelf zijn ervan overtuigd dat het de slavernij was die
hen voor het eerst tot mensen gemaakt heeft." (17)
In 1444 ging Hendrik de Zeevaarder over tot regelmatige
handel, en kocht hij voor het eerst Bantoe-slaven van
Moorse slavenhalers : een deal die tot in de 19de eeuw
talloze keren herhaald zou worden. De Europeanen werden
partners in het bestaande systeem van slavenhandel. Zo
kochten de Hollandse kolonisten aan de Oost-Afrikaanse
kust zwarte slaven van Arabische slavendrijvers, die hun
koopwaar kaafir noemden, "heiden", vanwaar dus het Afrikaanse
woord kaffer. De racistische eigengerechtigheid van de
Europeanen tegenover de heidense zwarten en roodhuiden
was geen uitvinding van 1492, maar een toen reeds achthonderd
jaar oude traditie die de Spanjaarden en Portugezen van
hun islamitische meesters en buren overnamen.
De islam is schuldig. De islamwereld heeft miljoenen Europeanen
en nog meer Afrikanen tot slaaf gemaakt, op basis van
een doktrine die nooit herroepen is. Ik geloof niet in
kollektieve schuld en dus ook niet in de ingeboren schuldigheid
van de hedendaagse afstammelingen van de Arabische slavendrijvers
(anders zou ik van hen een historische Wiedergutmachung
eisen); maar diegenen die, of ze nu afstammeling of bekeerling
zijn, bewust voor de islam kiezen, laden wel degelijk
een stuk morele schuld op zich voor deze zeer omvangrijke
misdaad tegen de mensheid, die immers niet alleen het
werk was van lang begraven generaties mensen, maar voor
een beslissend deel ook van de islam-doktrine die tot
vandaag onveranderd gebleven is.
4.6. Djihaad tegen de heidenen in India
Ondanks hun achterstelling en okkasionele vervolging zijn
joden en christenen onder de islam nog bevoorrecht in
vergelijking met de eigenlijke heidenen, want die moeten
in principe de keuze krijgen tussen bekering of de dood.
Van de vier rechtsscholen is er slechts één (de Hanafitische)
die aan islamitische heersers toestaat, de heidenen ook
als dhimmi's te behandelen (terwijl een andere, de Hanbalitische,
zelfs de bescherming van joden en christenen in vraag
stelt). Met name tijdens de verovering van India was er
veel diskussie onder theologen of men de afgodendienaars
mocht laten leven of niet. Uiteindelijk heeft de "gematigde"
strekking het gewonnen, maar toen waren er reeds enorme
bloedbaden aangericht, en ook nadien voorkwam het dhimmi-statuut
het geweld niet.
Zo maakte de dynastie van de Bahmani-sultans er een regel
van, elk jaar honderdduizend hindoes te doden.
De zeer bloedige verovering van het Indiase noordwesten
en de moordende slavenhandel van India naar de islamwereld
waren aanleiding om de Hindoe Koh ("Indisch gebergte",
in Afganistan) om te dopen tot Hindoe Koesj, d.w.z. "hindoe-slachting".
Het detail dat onder het bewind van Timoer in één nacht
honderdduizend hindoe slaven op transport naar Centraal-Azië
op de Hindoe Koesj van de kou omkwamen, geeft een idee
van wat het islamitisch schrikbewind voor India betekend
heeft. Volgens schattingen van de Indiase historicus K.S.
Lal daalde de Indiase bevolking tussen 1000 en 1525 met
80 miljoen eenheden, tengevolge van de vervolgingen, de
export van slaven naar de moslim-landen, de voortdurende
djihaad en de daardoor veroorzaakte ontwrichting van de
landbouw. (18) Laat deze schatting nog onnauwkeurig zijn,
het is duidelijk dat de islam er ruim wat meer dan zes
miljoen slachtoffers gemaakt heeft.
De honderden moslim-auteurs die ons gedetailleerde beschrijvingen
van de moordpartijen en verwoestingen hebben nagelaten,
stellen zeer ondubbelzinnig en met grote tevredenheid
dat al deze wreedheden gebeurden in uitvoering van de
geboden van de islam.. Bijvoorbeeld Oetbi, de kroniekschrijver
van Mahmoed Ghaznavi (rond 1000), beschrijft de opmars
van de islam in Noord-India : "Het leger van de sultan
trok verder, bedreef slachting en roof, en haalde de gebruikelijke
hoeveelheid buit binnen. Hij bleef in de stad Bhatia tot
hij ze van bezoedeling (= ongelovigen) gezuiverd had..."
(19) In de stad Moeltaan doodde hij 200.000 mensen en
marsjeerde dan verder, zich uitlevend in "slachtingen,
slaafnemingen, roof, ontvolking en brandstichting". Zijn
overwinningen waren "getuige van zijn hoge staat van geloofsijver".
"De vrienden van God pleegden slachtingen in elke heuvel
en vallei... Mahmoed won een grote buit en vele slaven.
De slaven waren zo talrijk dat ze zeer goedkoop werden,
en mensen van aanzien in India werden aldus slaven van
ordinaire winkeliers in Centraal-Azië."
Bij de inname van de stad Thanesar "vloeide het bloed
van de ongelovigen zo overvloedig dat de rivier verkleurde
en ondrinkbaar werd", aldus Oetbi. Een andere moslim-auteur,
Ferisjta, schreef over deze verovering : "Bij deze gelegenheid
bracht het moslim-leger 200.000 gevangenen naar de hoofdstad,
zodat deze eruit zag als een Indische stad, want elke
soldaat had verschillende Indische slaven en slavinnen."
Oetbi beschrijft dat in de stad Kanaudj "talloze ongelovigen
gedood of gevangen werden, en de moslims keken niet om
naar de buit totdat ze zich tegoed gedaan hadden aan het
afslachten van de ongelovigen".
De hier vermelde sultan Mahmoed Ghaznavi was een fijnbesnaard
man, zelf kalligraaf, en patroon van bekende geleerden
als Firdausi en Albiroeni (Firdausi moest wel onderduiken,
want zijn Sjah-Nameh hemelde al te zeer de vóór-islamitische
Perzische beschaving op). De miljoenen slachtoffers die
hij maakte, vielen niet door zijn barbaarse persoonlijkheid,
maar enkel en alleen door de haat van de islam tegen andersdenkenden.
De weledelzeergeleerde Albiroeni gaf volgend oordeel over
Ghaznavi's verdiensten : "Mahmoed heeft de welvaart van
dit land volledig verwoest, en er prachtige dingen verwezenlijkt,
waardoor de hindoes werden als stofdeeltjes weggewaaid
in alle richtingen."
De geleerde Zia-oed-dien Barani stelt in zijn Fatawa-i-Dja
haandari : "Als Mahmoed één keer meer naar India gekomen
was, dan zou hij alle brahmanen van India onder zijn zwaard
gebracht hebben, die in dat grote land de oorzaak zijn
van het voortduren van de wetten van het ongeloof en van
de kracht van de afgodendienaars, hij zou het hoofd van
2 of 300.000 hindoe-chefs afgehouwd hebben. Hij zou zijn
hindoe-afslachtend zwaard niet terug in de schede gestoken
hebben vooraleer heel India de islam aanvaardde. Want
Mahmoed was een sjafi'iet (dus geen ha nafiet - KE), en
volgens imaam Sjafi'i is het voorschrift voor hindoes
'of de dood of de islam', d.w.z. ze moeten ofwel gedood
worden ofwel de islam aanvaarden. Het is niet wettig,
van de hindoes de djizia te innen, aangezien zij
geen profeet noch geopenbaard boek hebben."
De Indiase middeleeuwse kroniek Tariech-i-Wassaaf beschrijft
de veldtocht van Alla-oed-dien Childji naar Goedjaraat
aldus : "De slagader van de geloofsijver klopte hevig
voor de onderwerping van het ongeloof en de vernietiging
van afgodsbeelden... Met het oog op djihaad, en niet uit
lust naar verovering, mobilizeerde hij 14.000 ruiters
en 20.000 infanteristen... De mohammedaanse troepen begonnen
te doden en af te slachten, links en rechts zonder genade,
overal in het onreine land, omwille van de islam, en het
bloed vloeide in stromen. Zij namen een groot aantal knappe
en elegante meisjes gevangen, samen 20.000, en kinderen
van beider kunne, meer dan de pen kan opsommen... Kortom,
het mohammedaanse leger maakte het land tot een komplete
ruïne, en vernietigde het leven van de bewoners, en plunderde
de steden, en voerde hun kinderen weg..."
Qazi Moeghies-oed-dien vond desondanks dat sultan Alla-oed-dien
Childji zich nog teveel inhield, en wees hem erop, dat
"alleen Hanifa het opleggen van de djizia aan de hindoes
goedkeurde. Juristen van de andere rechtsscholen staan
geen andere keuze toe dan 'de islam of de dood'." Deze
rechtlijnige politiek was nog gevolgd door Mahmoed Ghaznavi,
die door islamitische juristen dan ook als voorbeeld voorgehouden
werd aan heersers met minder radikale geloofsijver.
Een andere veroveraar, Timoer (= Tamerlan, ook vermaard
als de vernietiger van de Nestoriaanse christenen in Koerdistan),
hield een dagboek bij. Daarin citeert hij b.v. het Koran-vers
: "O profeet, voer oorlog tegen de ongelovigen en treed
hard tegen hen op", waarna zijn eigen verhaal volgt :
"Mijn grote doel in de invasie van India was een djihaad
te voeren tegen de ongelovige hindoes." Hij begon met
de bestorming van de stad Katoor, en beval zijn soldaten
"alle mannen te doden en de vrouwen en kinderen gevangen
te nemen, en al hun eigendom te roven of te verwoesten".
Vervolgens, schrijft hij, "beval ik hen, heuvels te
maken met de schedels van deze onwillige ongelovigen".
Kort nadien belegerde hij de stad Bhatnir, waar de bewoners
zich overgaven op voorwaarde dat hij hun leven zou sparen.
Maar hij voelde zich niet gebonden door een belofte aan
ongelovigen, en hij rapporteert : "Op korte tijd werden
alle mensen van het fort gedood, en op één uur tijd werden
10.000 ongelovigen onthoofd. Het zwaard van de islam werd
gewassen in het bloed van de ongelovigen." Enzovoort,
enzovoort.
Afief, een 14de-eeuws historicus, laat de grootvizier
van sultan Firooz Toeghlaq een rede uitspreken, waarin
deze stelt dat de staat twee doelen moet nastreven :
1) welvaart en bescherming van het volk,
2) vernietiging van de ongelovigen en uitbreiding van
het grondgebied. De grootvizier beoordeelde met tevredenheid
de situatie : "Door Gods genade zijn in de vernietiging
van de ongelovigen grote suksessen geboekt."
De als wereldreiziger bekend geworden rechtsgeleerde Ibn
Battoeta verhaalt hoe hijzelf bij een feest tien vers
gevangen heidense slavinnen kado krijgt, waarvan hij er
enkele aan zijn gezellen uitdeelt, en hoe Mohammed bin
Toeghlaq, sultan van Delhi, honderd mannelijke en honderd
vrouwelijke heidense slaven als geschenk naar de keizer
van China stuurt. Ibn Battoeta was gewoon aan taferelen
waarin heidenen door de islam vernederd, mishandeld en
gedood werden. Het is evenwel vermeldenswaard dat zelfs
hij soms weerzin voelde tegen deze praktijken.
Hij wendde de ogen af toen de sultan van Ma'bar (zijn
familielid, met wie hij juist zat te dineren), een binnengebrachte
ongelovige en diens vrouw en zoontje ter plekke liet onthoofden.
Een andere keer liet de sultan de handen en voeten van
een hindoe afhakken; Ibn Battoeta verwijderde zich met
een voorwendsel. Toen hij te gast was bij de goeverneur
van Gwalior, kon hij bedingen dat deze het leven zou sparen
van een ongelovige die juist in twee zou gesneden worden.
Deze persoonlijke reakties van Ibn Battoeta tonen ten
overvloede aan dat het islamitisch fanatisme niét "nu
eenmaal konform de ruwere middeleeuwse zeden was", zoals
sommige islam-apologeten wel eens beweren.
De hedendaagse historicus R.C. Majumdar schrijft : "Een
studie van de moslim-kronieken laat er geen twijfel over
bestaan dat dergelijke scènes niet alleen vastgesteld
zijn tijdens deze periode, maar dat zij door de islamitische
klerici en geleerden als rechtvaardig en natuurlijk beschouwd
werden. De alleen al in één enkele kroniek, b.v. die van
Ferisjta, opgesomde bloedstollende verhalen van totale
plundering en afslachting van hindoes door moslims, doen
de lezer gruwen." (20)
Toen ik kennis nam van de geschiedenis van de islam in
India, voelde ik me zoals de Amerikaanse soldaten die
Dachau bevrijdden, en daar beseften dat hun vijand erger
geweest was dan zelfs de oorlogspropaganda beweerd had.
De Amerikaanse historicus Will Durant schrijft : "De islamitische
verovering van India is waarschijnlijk de bloedigste episode
in de geschiedenis. Het is een ontmoedigend verhaal, want
het toont dat beschaving een kwetsbaar goed is dat altijd
vernield kan worden door barbaren die van buitenaf binnenvallen
of zich binnen het land vermenigvuldigen." (21) Ik voeg
daaraan toe : al wie beweert dat de islam een tolerante
religie is, maakt zich schuldig aan een negationisme dat
even verwerpelijk is als de ontkenning van de holokaust.
Honderden moslim-auteurs hebben deze bloedige vervolgingen
met veel verve beschreven en als glorierijke uitvoering
van Koranische geboden geprezen. Daar waar de meedogenloze
christelijke verovering van Amerika ingetoomd werd door
de kritiek van missionarissen als De las Casas en De Sahagún,
is er geen moslim-geschrift bekend dat blijk geeft van
wroeging over dit duizendjarig fanatisme.
Als er al eens een heerser tolerant was tegenover de ongelovigen,
werd hij steevast door de mollahs berispt wegens zijn
nalatigheid. De enige premoderne heerser in de islamwereld
die zonder druk van buitenaf de emancipatie van de ongelovigen
afkondigde, was de Indische Mogol-keizer Akbar. Maar hij
was dan ook een afvallige : hij nodigde zegslieden van
allerhande religies (ook jezuïeten) uit naar zijn hof,
en stichtte een nieuwe religie, de dien-i-Illahi (religie
van God), gebaseerd op de insanijat (humanisme) en met
respekt voor alle religies. De orthodokse geestelijken
onder leiding van Ahmad Sirhindi waren furieus, maar Akbar
had nu eenmaal de macht (de zogenaamd gematigde Indiase
moslim-leider Maulana Azaad, vriend van en minister onder
de eerste premier Nehroe, was een groot bewonderaar van
Sirhindi, die "de islam in India voor de ondergang behoed
had"). Na zijn dood bewerkten ze, onder de minder lakse
keizers Djahaangier en Sjahdjahaan (bouwer, middels tienduizenden
hindoe slaven, van de Taadj Mahal), echter de re-islamizering,
en onder keizer Aurangzeb werd dit een grootse revanche,
een laatste orgie van vervolgingen vóór de instorting
van de islamitische macht.
Hoeveel goeds men intussen ook over Akbar kan vertellen
: ook onder zijn bestuur was de wettelijke gelijkheid
geen feitelijke gelijkheid, want zelfs de keizer kon er
de adel en de ambtenarij niet toe dwingen, hindoes te
benoemen waar moslims aan een monopolie gewoon waren.
Bovendien moet men zijn "tolerantie" begrijpen als een
taktiek om de steun van hindoes te krijgen bij zijn machtsstrijd
met de moslim-adel en geestelijkheid. Alleszins, tolerantie
was er slechts ondanks de islam, intolerantie was er in
uitvoering van de geboden van de islam. Zolang de islam
aan de macht was en zijn zin kon doen, heeft hij altijd
een steile ongelijkheid tussen het moslim-Herrenvolk en
de verdoemde niet-moslims beleden en toegepast. Minstens
resulteerde dit in een soort apartheidsbewind, en dikwijls
ook in grootschalige slachtingen. En dit alles met een
nooit in vraag gestelde zekerheid dat Allah dit beleid
voorgeschreven had, dat dit Allahs heilsplan was.
Het moslim-bewind in India werd in de 18de eeuw gebroken,
en waar het nog standhield tot tolerantie gedwongen, door
suksesvolle hindoe opstanden, op gang gebracht in de late
17de eeuw door Sjivadji; en vervolgens door de Britse
invasie. De geest van de islam was echter nog niet gebroken,
en de herovering van de verloren posities werd het projekt
dat de Zuid-Aziatische moslims tot vandaag bezighoudt.
Hoogte punten in deze herovering zijn tot nu toe de stichting
van Pakistan in 1947, die gepaard ging met massale pogroms
tegen hindoes en sikhs, van wie er in het Pakistaanse
deel van Pandjaab en Kasjmir geen enkele overbleef; en
de genocide in Oost-Bengalen (nu Bangladesj) in 1971,
waarbij het Pakistaanse leger en zijn handlangers wellicht
drie miljoen mensen ombrachten, van wie minstens 80% hindoes.
Kleinere "wapenfeiten" zijn de stille, geleidelijke uitdrijving
van de hindoes uit Bangla desj, de uitdrijving van een
kwart miljoen Kasjmiri hindoes uit Indiaas Kasjmir in
1990, en de uitdrijving van een 50.000 hindoes uit Afghani
stan na de islamitische machtsovername in 1992.
Bij mijn weten is de Bengaalse genocide van 1971 de grootste
genocide na 1945, en toch weet praktisch niemand daarover
het meest elementaire gegeven, n.l. dat het een islamitische
moordpartij was tegen Mohammeds aloude vijanden, ten eerste
de "heidenen" en ten tweede de "huichelaars". Deze "huichelaars"
of onbetrouwbare moslims, dat waren in dit geval de Bengaalse
moslims, die volgens de Pakistani's nog half hindoe waren
(hun taal en geschrift, kleding, eetkultuur, muziek enz.
zijn immers niet gearabizeerd) en zich onvoldoende met
hun West-Pakistaanse geloofsbroeders verbonden voelden.
Zelfs de moslimdoden in Bengalen zijn gevallen door het
anti-hindoe élan in het leger van Pakistan, het "land
van de zuiveren", dat behalve de heidenen ook de onzuivere
Bengaalse moslims even wou wegzuiveren.
Wanneer in India moslim-relschoppers (die in alle belangrijke
godsdienstrellen van de laatste decennia de aanstokers
waren) door de politie of door hindoes worden teruggeslagen,
en er vallen doden, dan schreeuwt de pers moord en brand
over "hindoe-fanatisme"; feit is echter dat hindoes 99%
uitmaken van alle doden gevallen bij hindoe-moslim-geweld
in het Subkontinent na 1947. Ondanks dit alles blijven
de hindoes tolerant tegenover de moslims, zoals onweerlegbaar
blijkt uit de migratiecijfers : tegenover de geleidelijke
uitwijking van de hindoes uit Pakistan en Bangladesj staat
geen gelijkaardige uitwijking van moslims uit India, integendeel.
Het aantal illegale moslim-immigranten uit Bangladesj
wordt in politierapporten op 20 miljoen geschat. Behalve
de beste weerlegging van de media-leugens over een "onderdrukking"
of "achterstelling" van de moslims in India, vormt deze
illegale migratie ook een krachtig wapen in de strategie
van demografische agressie die de islam nu tegen India
ontplooit. We gaan er nog van horen.
4.7. Verwoesting van tempels
In de loop van de geschiedenis zijn duizenden kerken en
synagogen onteigend of vernield door de moslims, nog afgezien
van de gebedshuizen die in onbruik raakten omdat gemeenschappen
verjaagd, uitgemoord of bekeerd werden. Maar we moeten
niet vergeten dat joden en christenen nog relatief bevoorrecht
waren. In Iran zijn er praktisch geen vuurtempels van
de (enkele tienduizenden overlevende) zoroastriërs overgebleven.
De geschiedenis van de stelselmatige verwoesting van tienduizenden
hindoe en boeddhistische tempels, die in het Subkon tinent
de officiële politiek was van de meeste moslim-heersers
tussen 712 en 1707 (en die okkasioneel hervat werd tot
in de koloniale periode, en na 1947 in Pakistan, Bangladesj
en Kasjmir), is ten gronde beschreven en geanalyzeerd
in het boek Hindu Temples, What Happened to Them (2
delen, Voice of India, Delhi 1990-91) van Sita Ram Goël.
De verwoesting van gebedshuizen was ruwweg proportioneel
met de sociale, demografische en ekonomische verwoesting.
De joden en christenen in het Middellandse-Zeegebied werden
zwaar getroffen, maar waren nog goed af in vergelijking
met de boeddhisten (die in heel Centraal-Azië en India
hun religie verloren na de uitmoording van hun monniken)
en de hindoes (die door hun gedecentralizeerde maatschappijstruktuur,
hun demografische overmacht en het voor guerrilla erg
gunstig terrein wel standhielden, maar een zeer hoge prijs
betaalden). De Tariech-i-Wassaaf vermeldt over Alla-oed-dien
Childji's verovering van Goedjaraat : "Vele tempels lagen
er troosteloos bij, de afgodsbeelden werden gebroken en
met de voeten vertrappeld, waaronder de grootste tempel
de Soomnaath-tempel was... De brokstukken werden naar
Delhi gebracht en de toegang tot de hoofdmoskee werd ermee
geplaveid, zodat de mensen deze zege zouden gedenken en
erover spreken... 'Geprezen zij God, de Heer van de werelden'."
Mohammed bin Toeghlaq, die als een van de meer breeddenkende
moslim-heersers beschouwd wordt, was geen uitzondering.
Toen de keizer van China hem verzocht om in Samhal (Himaalaja),
dat door boeddhistische pelgrims aangedaan werd, een tempel
te mogen heropbouwen die de moslims verwoest hadden, schreef
hij terug : "De islam laat het bevorderen van zulke doelstelling
niet toe, en de toelating om een tempel te bouwen in een
moslim-land kan alleen gegeven worden aan wie de djizia
betaalt." Overigens is het strikte islamstandpunt dat
ook degenen die djizia betalen geen nieuwe tempels mogen
bouwen noch vernielde of vervallen tempels herstellen,
zoals gold onder de andere sultan van deze dynastie, Firooz
Sjah Toeghlaq.
Nadat Akbar de teugels gevierd had, waren de hindoes opnieuw
volop tempels gaan bouwen; wel niet meer zo'n grote als
vroeger, maar toch een doorn in het oog van ondermeer
Akbars achterkleinzoon Aurangzeb. Deze gaf dus bevel om
alle hindoe-tempels te verwoesten, en blijkens rapporten
van zijn generaals en provinciegoeverneurs, aangehaald
in zijn hofkronieken, zijn toen in één kampanje letterlijk
duizenden tempels verwoest. De verwoesting van gebouwen
is natuurlijk alleen het meest tastbare aspekt van een
bredere politiek van kultuurverwoesting, die vandaag b.v.
inhoudt dat het uitzenden van hindoe-muziek op de Pakistaanse
radio verboden is.
De kommotie rond de Baabar-"moskee"
(die reeds sedert 1949 als hindoe-tempel in gebruik was)
in Ajoodhja moet tegen deze achtergrond begrepen worden.
Op een hindoe heilige plaats werd een moskee neergezet
door een laat-middeleeuwse sultan (niet noodzakelijk de
eerste Mogol-keizer Baabar, naar wie het ding genoemd
is), na de verwoesting van een tempel ter ere van de vergoddelijkte
held Rama, als teken van de zege van de islam op het heidendom.
Dat hindoes op 6 december 1992 dit monument van haat en
onverdraagzaamheid met de grond gelijk gemaakt hebben,
is een zeer goede zaak die elke pluralist en multikulturalist
zal toejuichen.
Overigens hebben bij die gelegenheid heel
wat archeologische overblijselen van de destijds verwoeste
Rama-tempel na eeuwen verwerking in de moskeemuren opnieuw
het daglicht gezien, werkelijk een grote aanwinst voor
de wetenschap, en een finale weerlegging van het gelegenheidsfabeltje
als zou er daar nooit een tempel gestaan hebben. Het doet
er niet toe wat wij hier ervan denken, het is tenslotte
een hindoe heilige plaats, en dus moeten de hindoes er
zelf maar over beslissen welke architektuur ze er willen
laten staan danwel nieuw bouwen.
Dat hindoes op een hindoe
heilige plaats religieuze bouwwerken verrichten (inbegrepen
het opruimen van misplaatste muren achtergelaten door
mensen die op een hindoe heilige plaats niets te zoeken
hadden) is welbeschouwd de gewoonste zaak ter wereld.
Merkwaardig is alleen de draai die de media aan de hele
zaak gegeven hebben. Het is volstrekt evident dat de heilige
plaats van een bepaalde religie aan de beoefenaars van
die religie toekomt, en het is volstrekt schandalig als
beoefenaars van een andere religie hen het rustig genot
van hun heilige plaats willen beletten; en toch stond
de wereldpers als één man aan de kant van de moslims die
andermans heilige plaats trachtten in te palmen. Moord
en brand werd er geschreeuwd omdat die lelijke hindoes
die brave moslims dreigden te dwarsbomen in hun aloude
recht om andermans kultusplaatsen te bezetten en met moskeeën
te beladen.
Gelukkig is er nog rechtvaardigheid in deze wereld, en
konden de hindoes en de Britse politie niet verhinderen
dat 22 hindoe-tempels in Groot-Brittannië in december
1992 door Britse moslims zwaar beschadigd of volledig
vernield werden. Door de Britse moslims voor te liegen
dat de hindoes in Ajoodhja de moslims onrecht aangedaan
hadden, heeft de pers in beslissende mate tot deze "vereffening"
bijgedragen.
4.8. Dhimmitude en dekolonizering
Het dhimmi-statuut is konsekwent opgelegd aan de niet-moslims
doorheen de islam-geschiedenis, en pas afgeschaft zodra
de islam de kracht verloor om dit vol te houden. In India
werd althans de fiskale ongelijkheid (de djizia) reeds
in 1717 afgeschaft, ten gevolge van militaire nederlagen
van het Mogol-rijk tegen hindoe-opstanden. In het Ottomaanse
rijk, dat behalve Turkije en de Balkan ook een groot deel
van de Arabische wereld omvatte, was dit in 1856, onder
druk van de Westerse mogendheden die de kalief aan een
overwinning in de Krim-oorlog tegen christelijk Rusland
geholpen hadden. Het grootste deel van de islamwereld
werd door kolonizatie of als Volkenbond-mandaatgebied
onder Europees bestuur geplaatst en bij die gelegenheid
werd dan formeel de gelijkheid tussen de religies ingevoerd.
Het is niet dankzij maar zeer duidelijk ondanks de islam
dat de gelijkheid van moslims en niet-moslims althans
in principe erkend werd (zoals ook de slavernij in de
islamwereld slechts afgeschaft is geworden door Westerse
invloed, en tegen de islam in).
De emancipatie van joden en christenen in het Ottomaanse
rijk, in 1856 afgekondigd onder Westerse druk, werd door
de lagere besturen en de moslim-bevolking helemaal niet
aanvaard. De gewelddadige uitbarstingen tegen de niet-moslims
namen toe in frekwentie en hevigheid. Opgehitst door klerici
"bestraften" zij joden en christenen voor hun "arrogantie".
Na de wettelijke onderdrukking kwam er nu een verheviging
van de feitelijke vervolging door de moslim-bevolking.
De wet was wel veranderd, maar de islamitische kijk op
de ongelovigen was dezelfde gebleven. De Armeense genocide
in 1915-17 was het hoogtepunt van deze wijdverspreide
volks-islamitische wraakoefening (dus slechts gedeeltelijk
een effekt van oorlogsomstandigheden). Deze genocide,
die men graag op rekening van het "nationalisme" der Jong-Turken
schrijft, was juridisch een autentieke djihaad, uitgeroepen
door de Ottomaanse kalief, die daartoe bij uitstek de
bevoegdheid had; de deelname van de plaatselijke bevolking,
die wel warm liep voor de islam maar van het sekulier-nationalisme
der Jong-Turken nooit gehoord had, is mede het gevolg
van dit kalifale engagement.
Deze vergiftigde situatie is blijven voortduren tot vandaag,
zowel vanwege de moslim-bevolking als vanwege de nominaal
sekuliere regeringen van Turkije, Syrië en Irak. (22)
In een aantal islamitische staten (Iran, Pakistan, Saoedi-Arabië,
Mauretanië, Soedan) is vandaag de achterstelling van de
niet-moslims weer volop van kracht, niet alleen feitelijk
(zoals in Irak en Turkije), maar ook wettelijk. In de
landen die zichzelf officieel als islamitische staat definiëren,
wordt bekering tot een andere religie opnieuw met de dood
bestraft. Niet-moslims zijn er van een aantal funkties
uitgesloten. Huwelijken tussen een moslim-vrouw en een
ongelovige man zijn er wettelijk verboden, enz. Men herinnert
zich ook hoe tijdens de Golfoorlog de door Saoedi-Arabië
ingehuurde Anglo-Amerikaanse troepen geen christelijke
viering mochten houden op plaatsen waar moslims ervan
getuige zouden kunnen zijn, en geen religieuze emblemen
mochten dragen. Toch genoten deze huurtroepen nog een
gunstregime, in vergelijking met de talloze Filippijnse,
Thaise en andere niet-islamitische gastarbeiders. De dhimmitude,
als politiek statuut opgelegd aan de niet-moslims, is
aan een tweede leven begonnen.
Over landen als Saoedi-Arabië, Pakistan, Iran en Soedan
vallen genoeg dergelijke sterke verhalen te vertellen.
Maar nog leerrijker is de situatie in die moslim-landen
die in die mate gesekularizeerd zijn, dat de integristen
hen en hun regimes vaak als mikpunt van hun tirades en
aanslagen nemen. In Egypte, één van de verdraagzaamste
islamitische landen, krijgen de koptische christenen het
hard te verduren. Een proces inspannen tegen een moslim
is zinloos, want een christen kan niet eens geldig getuigen
tegen een moslim. Er is een lijst met honderdvijftig beroepen
die niet door kopten uitgeoefend mogen worden. (23) Krachtens
de nieuwe grondwet kan, net als in de echt islamitische
staten, de bekering van een moslim in Egypte met de dood
bestraft wordt. Vaak zijn de kopten het slachtoffer van
geweld : in mei 1992 haalde een incident de kranten, waarin
dertien kopten doodgeschoten werden terwijl zij op het
veld stonden te werken. Dat is natuurlijk maar het topje
van de ijsberg. Er is dan ook een langzame maar gestadige
exodus van de kopten bezig (zij het minder dan hun aangroei
door geboorte, zodat hun gemeenschappen redelijk op peil
blijven).
In Turkije, waar Atatürk destijds nog enkele geïslamizeerde
kerkgebouwen aan de christenen had teruggegeven als wedergoedmakingsgebaar,
is het verboden, kerkgebouwen te herstellen of nieuw te
bouwen. De enkele overgebleven christelijke scholen worden
fel tegengewerkt, en moeten de bemoeienis van een islamitisch
supervisor dulden. Op de "sekuliere" staatsscholen moeten
alle leerlingen islam-onderricht volgen.
Een voorbeeld om vooral niet uit het oog te verliezen
is Maleisië, dat meteen na de onafhankelijkheid onder
druk van de moslims, toen net 50% van de bij de politiek
betrokken bevolking (rekent men de oerstammen mee, dan
zelfs minder dan 50%), de islamitische staat uitriep.
Destijds zeiden Westerse waarnemers dat dit maar een formaliteit
zonder gevolgen zou blijken, maar inmiddels zijn er allerlei
diskriminaties ingesteld : bevoordeling van moslims voor
studieplaatsen en overheidsbanen, verbod op missiepropaganda
onder moslims, verbod op niet-islamitische kulturele voorstellingen
voor moslims (inz. het hindoe Raamaajana-epos, traditioneel
een favoriet thema voor dans- en toneelopvoeringen), en
internationale steun aan islamitische strijders, o.m.
in Bosnië.
Indonesië, dat in dit verband graag als tegenvoorbeeld
genoemd wordt, is geen sekuliere staat maar heeft "het
monotheïsme" als staatsgodsdienst; iedereen mag echter
zelf invullen of hij een dienaar van Allah, Jezus, Boeddha
of Ganesja is (daargelaten dat het statuut van deze figuren
binnen hun respektieve traditie in feite radikaal verschillend
is). Dit is te danken aan de sekuliere tradities van het
ex-koloniale leger en aan de sterke kulturele nawerking
van de hindoe-boeddhistische kultuur ook onder de nominale
moslims. Bovendien zijn de echte moslims niet, of maar
sinds kort, in de meerderheid : vele nominale moslims
zijn in feite animisten. Dit begon onder Hollands bestuur,
toen islamitische huwelijken als rechtsgeldig erkend werden,
maar "animistische" niet; vele niet-moslims werden pro
forma moslim en lieten zich door een islamfunktionaris
trouwen. Dit proces werd in onafhankelijk Indonesië versterkt
: de animisten, die tot nog in deze eeuw de echte meerderheid
vormden, werden verplicht om zich onder de vlag van één
van de erkende godsdiensten te scharen, een wet waar behalve
de islam ook de christelijke missie/zending haar voordeel
mee gedaan heeft. Al deze nominale moslims komen binnen
bereik van de moslim-propaganda (tabliegh), en
de meesten worden na verloop van tijd wel echte moslims.
Nu reeds is in Indonesië de echte islam ook politiek in
opmars : in Aceh is er een islamitische afscheidingsbeweging,
en de Javaanse settelaars hebben de islamizering van Irian
Jaya en Oost-Timor aangevat. Openlijk ijveren voor de
islamizering van de staat Indonesië is nog wat riskant,
maar de regering doet wel kleine toegevingen aan de islamisten
om hen de wind uit de zeilen te nemen; zoals trouwens
ook andere regeringen die de islamisten eronder willen
houden (Algerije, Tunesië, Egypte), zelf islamizerende
maatregelen uitvaardigen.
Joden en christenen hebben voor en tijdens de dekolonizering
elk een eigen strategie verzonnen om met deze hernieuwde
minderheidspositie om te gaan. Het verschil tussen beide
vormt een interessante gevalsstudie in de psychologie
van de langdurig verdrukten. De christenen kozen voor
het arabisme, een sekuliere identiteit die de moslim-christelijke
tegenstelling zou overstijgen. De Baath-partij in Irak
en Syrië, in 1944 opgericht door de christen Michel Aflaq,
is hiervan een voorbeeld. Deze poging om zich bij de moslims
aanvaardbaar te maken, is grotendeels mislukt. Het had
ook moeilijk anders gekund, al was het maar omdat de Arabische
taal voor die christenen zelf al een opgedrongen identiteitselement
is, die hun oorspronkelijke Syrische, Koptische of Aramese
taal verdrongen heeft. Dat de Palestijnse christen Edward
Said zo'n voorvechter van de islamitische zaak geworden
is, is m.i. een pijnlijk voorbeeld van het verlies van
zelfrespekt bij de langverdrukte christenen in die regio.
De joden in moslim-landen hadden een geloofwaardiger alternatief
: van hen is de grote meerderheid bij de dekolonizatie
naar Israël gemigreerd. Pro-Palestijnse kringen zeggen
altijd dat het anti-semitisme en het zionisme een louter
Europese aangelegenheid geweest zijn, en Israël bijgevolg
een laatste kolonie. In werkelijkheid hadden de joden
het in de moslim-wereld niet beter dan in b.v. tsaristisch
Rusland, en zelfs waar het wèl beter geweest was, was
dit na de dekolonizering een verre herinnering die door
de nieuwe ontwikkelingen niet bevestigd werd.
De kolonizatie van Noord-Afrika was voor de joden een
bevrijding, en de dekolonizatie een wederopstanding van
de oude demonen van het islamitisch fanatisme. b.v., na
de onafhankelijkheid keerden de bevolking en de regering
van Tunesië zich tegen de joden, weigerden hen jobs in
overheidsdienst, stelden een ekonomische boycot in. Migreren
naar Israël was de enige uitweg voor de joden in de islamwereld;
zij moesten daarbij evenzeer hun eigen haardsteden opgeven
als de Palestijnen. Het probleem waarvoor het zionisme
de oplossing wilde zijn, was evenzeer een islamitisch
als een Europees probleem.
Anti-kolonialistische auteurs hebben altijd een rooskleurig
beeld van de gekolonizeerde samenlevingen willen ophangen,
met name van de moslims, en horen daarom niet graag dat
juist de moslims zelf hun gebied verworven hebben door
brute kolonizatie. Maar zoals een joods vluchteling uit
Noord-Afrika schrijft : "De Arabische moslims zijn gekolonizeerd
geworden : en wij dan ! Wat zijn wij anders eeuwenlang
geweest, dan onderworpen, vernederd, afgeslacht ? En door
wie anders dan door de moslims ? (...) De jodenhaat in
de moslimwereld is niet een reaktie tegen het zionisme,
het is juist omgekeerd." (24)
Naast de landen met een moslim-meerderheid zijn er ook
met belangrijke moslim-minderheden. In die landen, in
hun provincies waar de moslims een lokale meerderheid
vormen, begonnen zij tijdens of na de dekolonizatie afscheidingsbewegingen
: aldus de stichting van Pakistan en Noord-Cyprus, de
guerrilla's in Zuid-Thailand, Mindanao, West-Myanmar,
Tsjetsjenië en Kasjmir, de minder geslaagde gok van de
Bosnische moslims om zonder vechten onafhankelijk te worden
en vervolgens de Serviërs en Kroaten weg te pesten, de
"niet-territoriale staat van Britse moslims" aangekondigd
door het Britse moslimparlement, en zelfs een separatistische
partij in Andaloesië. In landen waar de moslims op hun
beurt niet-islamitische gebieden in hun macht hebben,
laten zij hun buit echter niet ontsnappen : de voorlopig
mislukte poging van de Azeri's om het Armeense Nagorno-Karabach
in handen te houden, en de geslaagdere kampanjes in Zuid-Soedan,
Libanon, Irian Jaya en Oost-Timor. De beste manier om
aan deze strijd een einde te maken, is hem voor de strijdende
partijen irrevelant en zelfs absurd te maken, nl. door
hen te bevrijden van het geloof dat hen ertoe motiveert.
Om de fysieke strijd te beëindigen, en om te voorkomen
dat hij weldra ook ons land in brand zet, moeten we de
ideologische strijd winnen.
<<PAGE
1 <<PAGE
2 <<PAGE
3 PAGE
5>>