3. Politieke doktrine van de
islam
De islam is geen religie louter voor de binnenkamer, maar
is intrinsiek verbonden met een politiek programma. De
islam wil een islamitische staat vestigen, en deze uitbreiden
totdat hij de hele wereld omvat. Daartoe zijn twee middelen
: het bekeringswerk (da'wa) en de heilige oorlog (djihaad).
3.1. Djihaad in de islamwet
De Koran laat aan duidelijkheid niets te wensen over.
Al wie de Koran leest als Allahs openbaring, wordt ertoe
aangespoord, de ongelovigen te bestrijden en hen als vijanden
te behandelen. De vaste term voor de strijd tegen de ongelovigen
is djihaad. De djihaad is een religieuze plicht,
niet voor elke individuele moslim, maar wel voor de moslim-gemeenschap
als geheel. Een representatief voorbeeld van de behandeling
van de djihaad door de islamitische rechtsscholen zijn
volgende uittreksels uit de Hidaja, de kodeks van
de Hanafitische rechtsschool, die tegenover de ongelovigen
overigens de mildste van de vier soennitische rechtsscholen
is :
* "De djihaad is ingesteld als een goddelijke verordening
door het woord van Allah, die in de Koran gezegd heeft
: 'Dood de ongelovigen', en ook door een uitspraak van
de profeet : 'De oorlog is permanent ingesteld tot aan
de Dag des Oordeels'."
* "Oorlog is geen positieve plicht, omdat hij van nature
moorddadig en destruktief is, en wordt daarom alleen bevolen
voor dit doel, het ware geloof te verspreiden en het kwaad
af te weren van Allahs dienaren; en wanneer dit doel behartigd
wordt door één segment van de moslims, die ten strijde
trekken, dan is deze plicht niet meer bindend voor de
andere moslims."
* "De vernietiging door het zwaard is door de ongelovigen
over henzelf gebracht, zelfs als zij niet eerst aangevallen
hebben, zoals blijkt uit diverse passages in de overlevering
die in deze zin begrepen worden."
* "Wanneer de moslims het vijandig grondgebied betreden
en de steden en forten van de ongelovigen belegeren, dan
moeten zij hen uitnodigen om zich tot de islam te bekeren,
want Ibn Abbas vertelt dat de profeet nooit enige stad
vernietigde zonder eerst de inwoners tot bekering op te
roepen. Als zij dus de islam aanvaarden, dan is het onnodig
die oorlog te voeren, omdat het doel van de oorlog dan
bereikt is zelfs zonder oorlog."
* "Als een moslim ongelovigen aanvalt zonder hen eerst
tot het geloof op te roepen, dan is hij in overtreding,
want dat is verboden. Maar als hij hen toch zonder oproep
tot bekering aanvalt, en hen doodt en hun bezit rooft,
is hij niet tot enige boete of vergoeding verplicht; want
dat wat beschermt (= de islam) is niet in hen aanwezig,
noch zijn zij beschermd door het grondgebied (d.w.z. zij
zijn geen inwoners van een islamitische staat), en het
louter verboden zijn van een daad is geen voldoende grond
om er vergoeding of boete voor te eisen." (1)
In de praktijk hadden de door de moslims aangevallen ongelovigen
naast de bekering en de dood dikwijls nog een derde optie
(althans als ze deze aanvaardden vóór het tot gevechten
kwam) : het gezag van de moslim-staat erkennen en er als
rechteloze inwoners onder een aantal vernederende bepalingen
hun eigen religie blijven belijden. In ieder geval, met
of zonder bekering : wie de strijd tegen de islam niet
kan winnen, moet de instelling van een islamitisch staatsgezag
aanvaarden. Het projekt van de islam bestaat erin, een
staat te vestigen waarin de op goddelijke openbaring gebaseerde
wetten gelden. Of die staat kan gevestigd worden met of
zonder oorlog, en met of zonder onmiddellijke bekering
van de inwoners, is van sekundair belang : in ieder geval
wil de islam het staatsgezag in handen krijgen.
Maulana Maudoedi, de zeer invloedrijke pionier van het
moderne pan-islamisme, schreef in 1932, op onberispelijke
doktrinale gronden : "Djihaad is een deel van de algemene
verdediging van de islam. Djihaad betekent strijd tot
het uiterste van uw mogelijkheden. Een man die zich fysiek
en mentaal inspant of zijn rijkdom spendeert op de weg
van Allah is inderdaad geëngageerd in djihaad. Maar in
de taal van de sjari'a wordt dit woord in het bijzonder
gebruikt voor de oorlog die gevoerd wordt in de naam van
Allah en tegen degenen die onderdrukking bedrijven als
vijanden van de islam. (2) Dit extreme offer van het leven
betreft alle moslims. Als echter een deel van de moslims
zichzelf aanbieden voor deelname aan de djihaad, dan is
de hele gemeenschap ontheven van deze plicht. Maar als
niemand zich aanbiedt, dan zijn allen schuldig. Deze koncessie
verdwijnt voor de burgers van een islamitische staat wanneer
deze aangevallen wordt door een niet-islamitische staat.
In dat geval moet iedereen zich aanbieden voor de djihaad.
Als het aangevallen land de sterkte niet heeft om zich
te verweren, dan is het de plicht van de naburige moslim-landen
om het te helpen. Als zelfs zij falen, dan moeten de moslims
van de hele wereld de gemeenschappelijke vijand bestrijden.
In al deze gevallen is djihaad net zo goed een fundamentele
plicht als het dagelijks gebed of de vasten." (3)
Er zijn er die beweren dat de djihaad alleen defensief
bedoeld is. Nu, defensieve djihaad komt ook voor, zoals
de recente strijd van de Afganen tegen de kommunisten.
Maar in de islamwet gelden er voor de defensieve djihaad
speciale regels, afwijkend van het gewone geval, te weten
de offensieve djihaad. Zo is de deelname aan de djihaad
normaal niet voor elke moslim verplicht, wel echter als
het om een defensieve djihaad gaat. Sterker, in het geval
van zelfverdediging tegen een aanval van de ongelovigen
mag elke vrouw en elke slaaf, zonder de toestemming of
het bevel van de heer des huizes af te wachten, onmiddellijk
doen wat hem of haar nodig lijkt om de vijand tegen te
houden. De defensieve djihaad is dus slechts een speciaal
geval, en het normale geval is de offensieve djihaad.
Sajjid Qoetb, de leider van de Egyptische Moslim-Broeders,
heeft trouwens expliciet gesteld dat "we ons niet door
oriëntalisten een defensieve opvatting van de djihaad
mogen laten opdringen".
De djihaad is, naast de da'wa (bekeringswerk) het legitieme
middel om de hele wereld onder het gezag van de islam
te brengen. Zoals Maudoedi schrijft : "Het doel van
de djihaad is, de niet-islamitische wetten te elimineren
om hen door de wet van Allah te vervangen. Het doel van
de islam is niet, deze revolutie tot één of enkele landen
te beperken; het doel van de islam is, een wereldwijde
revolutie op gang te brengen." (4) "De islam wil alle
ideologieën afschaffen die in strijd zijn met de islamitische
beginselen, ongeacht in welk land. De islamitische staat
moet de hele aarde omvatten." (5) Of nog : "De islam eist
de wereld, en zal geen genoegen nemen met een deel ervan."
De 13de-eeuwse Syrische theoloog Ibn Taimija, inspirator
van het moderne "fundamentalisme" (mede omdat hij zich
in een gelijkaardige situatie bevond als de hedendaagse
moslims, n.l. de zwakheid van de islamwereld tegenover
de Mongolen resp. het Westen), stelde dat alle land aan
de God van de moslims toebehoort, en dat veroveringen
in de djihaad alleen een teruggave zijn van dat
waarop de moslims recht hebben. Mohammed Iqbaal, geestelijke
vader van Pakistan, vatte dit aldus samen : "Alle land
behoort toe aan de moslims, want het behoort toe aan hun
God." Ajatollah Chomeini was even duidelijk : "Djihaad
wil zeggen : de verovering van alle niet-islamitische
gebieden." (6)
Wie denkt dat de opvatting van de djihaad als een echte
oorlog wat primitief en achterhaald is, moet weten dat
invloedrijke hedendaagse leiders en denkers het wel degelijk
zo cru bedoelen. De Pakistaanse officier S.K. Malik stelt
Mohammeds oorlogen tegen joden en heidenen tot voorbeeld
voor de moderne djihaad, en verheerlijkt daarbij het wapen
van de terreur : "Terreur zaaien in het hart van de ongelovigen
is niet het middel maar het doel zelf." (7) Ajatollah
Rafsandjani, die nu voorgesteld wordt als een "gematigde",
zei in 1984, in zijn hoedanigheid van parlementsvoorzitter
: "Als wij onze zin niet krijgen, zullen wij u (= het
Westen) een zee van vuur en bloed intrekken. Wij zullen
in oorlog zijn met u en u overal treffen." (8) Men kan
zeggen dat het hier maar om een extreme strekking binnen
de moslimwereld gaat, maar men moet toegeven dat ze veel
invloed heeft, en vooral : dat ze zonder verdraaiingen
op de Koran en het voorbeeld van Mohammed gebaseerd is.
3.2. Morele djihaad?
Men zegt vaak dat djihaad niet "heilige oorlog" betekent,
maar wel "zich inspannen op de weg van Allah". En inderdaad,
djihaad is afgeleid van het werkwoord djahada, wat wil
zeggen "zich inspannen". Het is echter onjuist om een
woord vast te pinnen op zijn etymologische oorsprong :
inkwisitie betekent letterlijk "onderzoek", maar daarom
beschouwen we de Spaanse inkwisitie nog niet als heraut
van het vrije onderzoek, wel integendeel. Zo heeft ook
djihaad (fi sabiel Allah), "inspanning (op de weg
van Allah)", een precieze technische betekenis die het
grondwoord djahada niet heeft, n.l. "oorlog tegen de ongelovigen".
In ieder geval, de interpretatie van djihaad als iets
anders dan "oorlog tegen de ongelovigen" is totaal onhistorisch.
Apologeten en multikul-goedpraters zijn buitensporig pretentieus
wanneer zij eventjes gaan doen alsof zij het beter weten
dan veertien eeuwen praktizerende islamgeleerden. Doorheen
de islamitische geschiedenis, van de Profeet tot Saddam
Hoessein, heeft men een gewapende strijd tegen de ongelovigen
nooit anders dan djihaad genoemd. Het gebruik van djihaad
in de zin van "gewapende strijd voor de islam" is geen
latere afwijking van de oorspronkelijke leer, maar behoort
tot de kern van Mohammeds eigen versie van de islam. Mohammed
zelf "spande zich in op de weg van Allah" door geweld
aan te wenden tegen de ongelovigen.
Zeggen dat de islam geen vijandschap tegenover andersdenkenden
predikt, is het opleggen van een geheel nieuwe pacifis
tische theologie aan een tekst van daaraan tegengestelde
strekking. Als moslims dat zelf doen, niet in apologetische
forums maar voor eigen publiek, dan is dat een welkome
theologische revolutie. Als zij dat doen tegenover ons
zonder hetzelfde te zeggen tegenover hun islamitische
achterban (niet pro forma een klein beetje, maar in tien
keer zo sterke termen, langs tien keer zo veel kanalen),
is het gemene arglistigheid. En als niet-moslims het doen,
is het gevaarlijke onnozelheid.
Sommige mystieke (soefi) auteurs beweren dat de gewapende
strijd slechts de "kleine djihaad" is, en dat de
innerlijke strijd tegen de eigen lagere natuur de "grote
djihaad" is. Het staat natuurlijk vrij om woorden overdrachtelijk
te interpreteren, maar dat doet niets af van hun normale
betekenis. De metafoor kan maar bestaan omdat eerst de
grondbetekenis al gegeven is, n.l. "strijd tegen de ongelovigen".
Dat mensen de strijd tegen hun eigen ondeugden vergelijken
met de oorlog tegen de ongelovigen, betekent in de eerste
plaats dat zij een negatieve opinie over de ongelovigen
hebben, en dat zij andere religies met ondeugd vereenzelvigen.
De bron van deze populaire uitleg is een episode in Mohammeds
leven, waarin hij zijn mannen na een geslaagde veldtocht
tegen een Arabische stam zegt dat ze zich na deze "kleine
djihaad" nu op de "grote djihaad" moeten voorbereiden.
Daarmee bedoelt hij blijkens de teksten en blijkens het
feitelijk verloop van de geschiedenis helemaal niet dat
ze nu hun zwaarden moeten ruilen voor bidtapijten of meditatiekussens,
noch dat ze hun strijdros moeten verkopen en het geld
aan de armen geven; wel integendeel. Mohammed bedoelde
gewoon : na dit vechtklusje tegen een kleine en slecht
getrainde Arabische stam, moeten we ons op een ambitieuzer
strijd voorbereiden : tegen de machtige Perzische en Byzantijnse
rijken. Een eerste inval in Byzantijns gebied vond nog
tijdens Mohammeds leven plaats, maar mislukte; zijn opvolgers
zouden er echter mee doorgaan, met spektakulair sukses.
3.3. De dhimmitude
De Koran zegt : "Bestrijdt hen die niet geloven in Allah,
noch in de Laatste Dag, en niet verboden stellen wat Allah
en Zijn boodschapper verboden hebben (= de heidenen),
en die zich niet voegen naar de ware godsdienst onder
degenen aan wie de Schrift gegeven is (= joden en christenen),
totdat zij uit de hand de schatting opbrengen, in onderdanigheid."
[9:29] Op een bepaald ogenblik in Mohammeds loopbaan werden
christenen en joden in Arabië geduld, op voorwaarde dat
zij het gezag van de islami tische overheid erkenden en
een schatting betaalden. Enkele jaren later zouden alle
ongelovigen uit Arabië verwijderd worden, maar deze tijdelijke
regeling werd wel de basis voor de behandeling van de
niet-moslims in alle veroverde gebieden buiten Arabië.
Een ander Koranvers luidt : "En indien één van de afgodendienaars
bij u bescherming zoekt, geeft hem dan die bescherming,
zodat hij Allah's woorden kan horen". [9:6] Dit vers zegt
dat men de ongelovige die zich onder bescherming van de
moslims wil stellen, inderdaad moet beschermen en aan
de islamitische invloed blootstellen, opdat hij zich te
zijner tijd zal bekeren. Iemand "beschermen" betekent
wel dat hij zijn lot aan u toevertrouwt, dat hij uw leiding
aanvaardt. Beschermd wordt dus die ongelovige die het
gezag van de islam erkent, en wel inzoverre hij zich aan
islamizerende invloed blootstelt. En tegen wie zou de
ongelovige beschermd moeten worden ? Het is tegen individuele
moslims, die immers met een intense haat tegen de ongelovigen
geïndoktrineerd zijn, dat de moslim-overheid de ongelovigen
beschermt. Het "beschermingscharter van de islam" (dhimmat
al-islaam) is een politieke regeling, waarbij niet-moslims
het staatsgezag van de islam erkennen, hun ondergeschiktheid
op velerlei manieren tot uiting brengen, en ook een zware
gedoogbelasting (djizia) betalen, in ruil voor
het recht om hun religie verder te mogen belijden. De
voorwaarden die de "door het charter beschermden" (dhimmi's)
moeten aanvaarden, zijn de 20 volgende :
* geen nieuwe gebedshuizen bouwen;
* geen oude gebedshuizen heropbouwen die door de moslims
vernield zijn (de faciliteiten zijn dus als uitdovend
bedoeld);
* moslims toelaten om in de gebedshuizen te overnachten;
* drie dagen gastvrijheid verlenen aan elke moslim-reiziger
die erom vraagt, en langer als hij ziek is;
* geen hulp verlenen aan vijanden van de islam;
* bekeringen tot de islam (ook van iemand uit de eigen
rangen) niet verhinderen;
* respekt betonen tegenover elke moslim;
* moslims toelaten tot de eigen private bijeenkomsten;
* in kleding duidelijk van de moslims onderscheiden zijn;
* in naamgeving duidelijk van de moslims onderscheiden
zijn;
* in taalgebruik duidelijk van de moslims onderscheiden
zijn;
* niet rijden op een paard met zadel en teugel;
* geen wapens dragen;
* geen zegelring dragen;
* niet openlijk alkoholische dranken verbruiken of verkopen;
* niet de eigen religie of gewoonten onder moslims propageren;
* geen huizen bouwen in de buurt van de moslims;
* hun doden niet in de buurt van de moslim-begraafplaatsen
brengen;
* hun religieuze plechtigheden niet in het openbaar houden;
* geen moslims als slaven bezitten.
Het model van deze regeling is het kontrakt tussen de
tot overgave bereide christenen van Damaskus en de moslim-veroveraars.
Daarin kwamen nog enkele extra voorwaarden voor, zoals
: * de eigen huizen niet hoger maken dan die van de moslims;
* geen christelijke symbolen ronddragen in processie of
bovenop de kerken plaatsen;
* de kinderen niet de Koran aanleren (nl. om hem te kunnen
bekritizeren). (9)
Een minder uitgewerkte dhimma was nog verleend
door Mohammed zelf aan de joden van de oase Chaibar :
zij mochten blijven en hun land bewerken, maar moesten
wel de helft van de opbrengst aan de moslims afstaan.
Moslim-propagandisten noemen de dhimma "tolerantie",
maar in een andere kontekst zou men dit "afpersing" noemen.
Mohammed behield zich ook het recht voor, het charter
te herroepen en de joden alsnog uit te drijven; wat enkele
jaren later ook gebeurde.
Het dhimmi-statuut kan gegeven worden aan joden en christenen,
en in de praktijk ook aan heidenen, behalve de Arabische
polytheïsten. Het kan niet verleend worden aan afvalligen
: bekering is een éénrichtingsverkeer, en ex-moslims (die
zich niet her-bekeren tot de islam) moeten in ieder geval
gedood worden. Het dhimmi-statuut wordt door de moslim-overheid
verleend, het is een eenzijdig charter, geen tweezijdig
kontrakt. (10) De "dhimmitude" (term van de in 1982 vermoorde
Libanese leider Béchir Gemayel) geldt als een gunst, niet
als een recht.
Bovendien legt de islamwet de doodstraf op voor die dhimmi's
die :
* de kerndoktrines van de islam openlijk in vraag stellen;
* terugkeren tot hun eigen religie nadat ze de islam aanvaard
hadden;
* met een moslim-vrouw trouwen zonder zich eerst te bekeren.
Dit laatste is om dezelfde reden als waarom een ongelovige
geen mos
lim-slaaf mag bezitten : het mag niet gebeuren dat een
moslim een niet-moslim moet gehoorzamen. De moslim is
de absolute heerser, de niet-moslim is de absolute onderworpene.
Het is in dit licht dat men islamitische geruststellingen
over "verdraagzaamheid" moet begrijpen. Gevraagd naar
de positie van de ongelovigen in een islamitische staat,
zegt Maulana Aboel Hasnat Sajjed Mohammed Ahmad Qadri,
voorzitter van de Djamiat-oel-Oelama-i-Pakistan : "Hun
positie zal die zijn van Dhimmi's. Zij zullen geen stem
hebben in het maken van de wetten, geen recht om de wet
te administreren en geen recht om openbare ambten te bekleden."
Op de vraag of het staatshoofd enige politieke macht aan
ongelovigen kan delegeren, luidt zijn antwoord : "Neen."
Over het laatste punt heeft een andere Pakistaanse autoriteit,
Maulana Ahmad Ali, een andere mening, maar over de grond
van de zaak denkt hij hetzelfde : "Hun positie zal die
zijn van Dhimmi's. Zij zullen geen zeg hebben in het maken
van de wetten of in de regering. De regering kan hun echter
wel openbare ambten toewijzen." (11)
"Tolerantie" betekent dus in dit geval alleen maar dat
de andersdenkenden niet in gaskamers gestopt worden, niet
dat zij volwaardige medeburgers zijn.
3.4. Aard van Mohammeds "missie"
Reeds tijdens het leven van de Profeet had de praktijk
van de Islam een politieke dimensie. Mohammed was geen
kluizenaar of bedelmonnik, maar een zakenman, en later
ook een monarch en legeraanvoerder. Dankzij zijn werkgeefster
en eerste vrouw Chadiedja was de wees Mohammed een welgesteld
man geworden in het bedoeïenenknooppunt Mekka. Hij legde
regelmatig het trajekt naar de christelijke metropool
Damaskus af, en kwam er onder de indruk van de goed georganizeerde
Oost-Romeinse staat. Hij deed ook de joodse centra in
Medina en Palestina aan, en kwam in kontakt met mensen
uit het zoroastrische Perzische rijk. Het ideaal van het
imperium en de fascinatie door het monotheïsme (dat de
joden, de christenen en min of meer ook de zoroastriërs
beleden) staken hem tesamen aan. Toch is het een misvatting,
Mohammed een uitgewerkt politiek projekt toe te schrijven.
Integendeel, de islamitische staatsorde is aksidenteel
ontstaan vanuit de improvizerende strategie van Mohammed
om met diverse middelen zijn gemeenschap van aanhangers
te konsolideren en uit te breiden. Wat overigens niet
wegneemt dat zodra Mohammed "terloops" tot staatvorming
was overgegaan, dit wel een normatief precedent voor zijn
volgelingen werd. De "revelaties" die Mohammed via de
aartsengel Gabriël tijdens de Mekkaanse periode (612-622)
"kreeg", bevatten hoofdzakelijk (onsystematisch) theologische
elementen, niet zozeer instrukties voor de konkrete maatschappelijke
organizatie. Mohammed was in Mekka niet meer dan een sekteleider,
zonder politieke macht. Een uitnodiging om te bemiddelen
in een konflikt in Medina werd zijn grote kans op een
politieke doorbraak. Na de migratie (hidjra) naar
Medina werd de organizatie van een islamitische staat
één van de prioriteiten van Mohammed en van zijn bron
Gabriël. In Medina greep Mohammed in enkele jaren stapsgewijze
de macht. De eerste stap was een betrekkelijk billijk
verdrag met de andere bevolkingsgroepen van Medina. De
bevolking van Medina bestond hoofdzakelijk uit : * de
mede-migranten (moehadjiroen) uit Mekka;
* de Medinensische bondgenoten of "helpers" (ansaar);
* de halfslachtige bondgenoten of, in Koran-terminologie,
de "huichelaars" (moenafiqoen);
* de snel verdwijnende heidenen (kaafiroen/koeffaar,
"ondankbaren", d.w.z. weigeraars van Mohammeds boodschap);
* de drie joodse clans.
De groep van de "huichelaars" bestond uit mensen die Mohammed
eerst, uit geloof of gewoon uit naïeve generositeit, in
Medina verwelkomd hadden, maar twijfels kregen over zijn
reli gieuze pretenties en over de wenselijkheid van de
veranderingen die hij in Medina teweegbracht (in de eerste
plaats zijn eigen greep naar de macht). Deze groep was
politiek geneutralizeerd zodra de machtige joodse clans
fysiek uitgeschakeld waren en Mohammed het terrein praktisch
voor zich alleen had. Maar na Mohammeds dood keerden velen
zich openlijk af van de islam, tot zij met het zwaard
weer in het gareel gedwongen werden. Deze "hypokrieten"
hadden, bij al hun twijfels over Mohammeds aanspraken
op het profeetschap, de opkomende islamitische macht te
vriend willen houden. Het was om puur levensbeschouwelijke
redenen dat zij geen volle moslims konden zijn : ze geloofden
er gewoon niet in, en zodra ze de kans kregen, "hervielen"
ze tot het heidendom. Maar waar hun stille trouw aan de
oude religie strikt religieus was, was hun openlijke steun
aan Mohammed door politiek opportunisme en winstbejag
gemotiveerd.
De joodse clans waren Mohammed een doorn in het oog. Hoewel
hij zich in hun traditie geplaatst had, en als eerste
gebedsrichting (qibla) Jeruzalem gekozen had, zagen
zij in hem niet meer dan de zoveelste valse profeet. Zij
werden één voor één aangepakt, telkens na de drie veldslagen
tussen Mohammed en de Mekkanen. Na de overwinning bij
Badr was Mohammeds ster genoeg gestegen om de eerste joodse
clan aan te pakken, tegen de tweede trad hij op uit wrok
voor de nederlaag bij Oehoed, en de derde liet hij, na
de slag van de Gracht, tot de laatste man uitmoorden.
(12) Aan de vijandschap met de joden lag eens te meer
geen sociaal-ekonomische tegenstelling met de "rijke joden"
ten grondslag, maar de puur religieuze reden dat de joden
Mohammed niet als profeet wilden erkennen.
Hoe men het ook draait of keert, men kan de tegenstelling
tussen enerzijds Mohammed en anderzijds de heidenen, de
joden en de "huichelaars", niét tot politieke of sociaal-ekonomische
kwesties herleiden. Mohammed was niet de zegsman van een
nieuwe politieke ideologie noch van een bepaalde maatschappelijke
klasse (al oefende hij aanvankelijk grote aantrekkingskracht
uit op ontevredenen en uitschot in de Mekkaanse samenleving),
hij was alleen de zegsman van zijn eigen aanspraak op
het profeetschap. Mohammed vereenzelvigen met een nieuwe
maatschappelijke orde is zuiver projektie, zoalniet vanuit
de moderne tijd, dan minstens vanuit de politieke konfiguratie
tijdens het vroege kalifaat.
Wij kiezen in deze bespreking voor een demarxizerende
benadering na de marxizerende spoeling die doorheen veel
recent geschrijf over de islam gegaan is, en waarin met
alle geweld een sociaal-politieke motivering aan Mohammed
toegeschreven wordt. De religie is een autonome sfeer,
niet herleidbaar tot klassentegenstellingen en produktiewijzen,
en dit blijkt juist zeer goed uit Mohammeds levensverhaal.
Mohammed was een handelaar zoals zovele anderen in Mekka.
Hij was lid van een clan zoals iedereen. Hij verschilde
slechts van zijn omgeving doordat hij twee ideeën had
: het monotheïsme, dat hij aan joden en christenen ontleend
had, en het geloof dat die ene God tot hem persoonlijk
sprak, exklusief en voor de laatste maal.
Weliswaar was voor Mohammed de fascinatie voor het monotheïsme
verbonden met een bewondering voor de Byzantijnse en Perzische
wereldrijken. En bovendien zou de verspreiding van de
islam inderdaad aanleiding geven tot de vorming van een
gelijkaardig rijk (in feite werd de administratie van
deze rijken na de verovering grotendeels overgenomen).
Maar deze politieke dimensie was niet wat Mohammed voor
ogen stond toen hij de konfrontatie met de heidense kultuur
in Mekka aanging. Nergens in de Koran zien we Mohammed
met de Mekkanen in diskussie treden over de politieke
organizatie van de samenleving. De diskussie gaat steeds
weer over de strikt religieuze stellingname van Mohammed.
De politieke invulling van de eerste islamitische staat
in Medina, onder de leiding van Mohammed zelf, zal veeleer
aksidenteel geschieden dan vanuit een vooropgestelde ideologie.
Konkrete problemen en disputen werden geregeld door de
profeet, hetzij vanuit zijn natuurlijk oordeelsvermogen,
hetzij met behulp van "openbaringen". Maar zoals de latere
islamitische politieke denkers zouden vaststellen, is
er geen volledige politieke blauwdruk te vinden in het
geheel van de revelaties (Koran) noch in de overgeleverde
woorden van de profeet (Hadieth). Er komt bij staatkunde
nog wat meer kijken dan de regeling van de betrekkingen
tussen islamitische en ongelovige burgers of staten. Hedendaagse
beloften van het type : "Islam is het antwoord" (of poëtischer
: "Noch oosten noch westen, islam is het beste") zijn
gedoemd om teleur te stellen, want de islam heeft zelfs
voor een middeleeuwse staat niet meer dan een rudimentair
recept, laat staan voor het bestuur van een moderne samenleving.
3.5. Van clan tot gemeenschap
De verdienste die steevast aan Mohammed toegeschreven
wordt, is dat hij bij de Arabieren de "enge clan-loyauteit"
verving door de loyauteit tegenover de religieuze gemeenschap.
Dat deed hij zeer zeker : in de slag bij Badr kreeg hij
zijn mannen over de grote drempel, het zwaard te verheffen
tegen hun eigen broers en vader, die aan hun tradities
trouw gebleven waren. Hij vroeg zijn mannen eerst nog
om zijn eigen stam, de Banoe Hasjiem met ondermeer zijn
oom Abbas, te sparen. Dit werd echter op algemeen protest
onthaald : "Moeten wij onze vaders en zonen en broeders
en familieleden doden, en Abbas met rust laten ?!" Deze
konfrontatie met zijn eigen natuurlijke affektie voor
zijn eigen familie had Mohammed tot bezinning kunnen brengen.
In de plaats daarvan verhardde hij zijn hart, en stelde
hij definitief de loyauteit tegenover de islamitische
gemeenschap (oemma) boven de natuurlijke loyauteiten.
Gezien de konkrete kontekst is het volkomen onjuist, deze
breuk met de stamtrouw voor te stellen als een internationalistisch
universeel eenheidsbesef, een stap naar wereldwijde integratie.
Integendeel, de loyauteit aan de oemma impliceerde meteen
de onverzoenlijke vijandschap tegen alle ongelovigen.
De oemma was een militaire gemeenschap, permanent in oorlog
met de andersdenkenden. Het is ook zuiver marxistische
projektie, te stellen dat deze breuk met de stamtrouw
door Mohammed alleen geëxpliciteerd werd, en in feite
al lang onderweg was ten gevolge van ekono mische verschuivingen
in het leven van de bedoeïnen. De hedendaagse exegeet
Hasan Askari vraagt zich bv. af : "Was het niet zo dat
zelfs lang vóór Mohammeds oproep tot de nieuwe religie,
de Mekkanen omwille van hun kommerciële en ekonomische
ontwikkeling weggegroeid waren van de bedoeïnen-levenswijze,
en al op weg waren om hun goden, familiebanden enz. opzij
te zetten, evenals de dichtkunst, in ruil voor zakelijke
winst en toename in welstand ?" (13) Het antwoord is heel
eenvoudig : de bedoeïnen waren al vele eeuwen handelaars,
en de Mekkanen bewoonden al vele eeuwen een handelsknooppunt-bedevaartplaats.
Geleidelijke veranderingen zijn er altijd en overal, en
in het toenmalige Mekka waarschijnlijk minder dan op vele
andere plaatsen. De maatschappijstruktuur was er niet
merkbaar aan enige revolutie onderhevig. De aanval van
Mohammed op de clan-loyauteit had dan ook niets met enige
sociaal-ekonomische "historische noodzaak" te maken, en
alles met de strategische krachtsverhoudingen tussen zijn
sekte en de bestaande samenleving.
Binnen de oemma moest broederschap heersen : "Weet dat
elke moslim de broer van een moslim is, en dat de moslims
broeders zijn." Het is evident dat een krijgersgemeenschap
zich geen innerlijke konflikten kan veroorloven, en eensgezind
moet zijn. Toch is dat heel wat anders dan universele
broederschap. Ook in het leger en in het rijk van Djengis
Khan heerste de grootste "broederschap", tucht en onderling
respekt (de Pax Mongolica), en toch wordt Djengis
niet als de brenger van een sociaal-morele revolutie verheerlijkt.
(14) Want hoe hechter de band tussen de moslims, des te
harder de slagen die zij de omliggende heidense gemeenschappen
toebrachten, en dezen werden niet met broederlijkheid
bedacht, maar met moord, slavernij en gedwongen bekering.
Islam-apologeet Hasan Askari verantwoordt (en erkent dus)
de bloedige wijze waarop de overgang van clan naar oemma
geschiedde, aldus : "De Arabische samenleving ging, via
haar traditionele medium van het geweld, doorheen haar
fundamenteelste transformatie - van stam tot gemeenschap."
(15) Deze vaak voorkomende voorstelling van zaken neemt
aan dat de pre-islamitische samenleving bij uitstek gewelddadig
was, en dat geweld de onvermijdelijke weg was om vervolgens
tot een veel vreedzamer situatie van clanloze islamitische
eenheid te komen. Deze opvatting is een belangrijke komponent
in de mythe van Mohammed als sociaal hervormer : beschaver
van de woeste heidenen. In werkelijkheid was de heidense
krijgslust ingeperkt door temperende krijgskonventies
: zo mocht men tijdens de drie heilige maanden (de bedevaartmaand
en de maanden ervoor en erna, waarin pelgrims nog onderweg
konden zijn) niet vechten, en mocht men geen nuttige bomen
omhakken ook als dit taktisch voordelig zou zijn (dus
geen schade aanrichten die tot lang na de strijd zou nawerken).
Mohammed schond deze konventies, telkens met de geopenbaarde
goedkeuring van Allah. De heidenen waren ook niet vertrouwd
met de hoog-intensieve oorlogvoering die Mohammed nieuw
introduceerde. De stammenoorlogen waren een soort ritueel
waarin het aantal slachtoffers laag gehouden werd. (16)
Juist omdat de Mekkanen aan dit soort gentlemen's war
gewoon waren, verloren ze de slag bij Badr, waar ze
drie tegen één in de meerderheid waren : zij wilden Mohammed
"een lesje geven", en werden tot hun verrassing in een
strijd op leven en dood betrokken. Het is beslist onjuist
dat de heidenen woeste vechtjassen waren : zij hielden
zich aan een erekode, en waren juist daardoor niet opgewassen
tegen Mohammeds nieuwe koncept van de totale oorlog.
Zo min als de heidenen barbaren waren, net zo min was
Mohammed een brenger van beschaafdere militaire en sociale
zeden. Als hij een ideaal van universele broederschap
gehad had, moest hij dan bevel geven tot het doden van
vaders en broers (bij wijze van "bloeddoop") ? Zou "hou
van de mensheid, begin bij je familie" niet méér tot de
wereldvrede bijgedragen hebben ? Mohammed eiste van de
mensen, in plaats van loyauteit tegenover elkaar, de totale
loyauteit tegenover hemzelf. Men herinnere zich hoe volgens
Hegel de afwezigheid van sociale tussenlagen tussen het
individu en de staat de oorzaak was van het spoedig verval
van de Franse Revolutie tot een terreurbewind en een tirannie,
en hoe ook George Orwell (1984) de natuurlijke
kleinschaliger intermenselijke verbanden voorgesteld heeft
als een weldoende buffer tussen het naakte individu en
de almachtige staat, en dus als mikpunt van totalitaire
regimes. Dat Mohammed de tussenliggende niveau's van saamhorigheid
meende te moeten vernietigen, wijst op een doortastend
machtsprojekt, niet op een "universele broederschap".
De erkenning (b.v. door Konfucius) van de natuurlijke
gegradeerdheid van 's mensen aanhankelijkheid en loyauteit
aan de diverse niveau's van integratie, van individu en
gezin tot natie en mensheid, biedt een veel realistischer,
doeltreffender en oprechter formule voor integratie van
de mensheid en universele harmonie.
Wat meer is : eens grote delen van de Arabische bevolking
zich aan Mohammed overgaven, had Mohammed geen bezwaren
tegen een zekere clanverbondenheid ook binnen de oemma.
Zolang de Arabieren zijn profeetschap maar erkenden en
aan zijn zijde vochten, kon het hem niet meer schelen
of ze het clanbesef opgaven of behielden. Toen het maar
individuen waren die hem vervoegden, moest hij hen wel
met hun clan doen breken, maar zodra clans in hun geheel
naar Mohammeds kant overliepen, bleek de onverenigbaarheid
tussen clantrouw en aktieve (vnl. militaire) inschakeling
in de oemma niet meer zo absoluut. Mohammeds doel was
niet de hervorming van de clansamenleving, wel de uitbouw
van een Mohammed-getrouwe gemeenschap : met de clanstrukturen
als het kon, ertegen als het moest. De aanvankelijke eis
dat zijn volgelingen met het bloed van hun familieleden
hun breuk met hun clan zouden hard maken, had niets met
een maatschappelijk ideaal te maken, en alles met de bekende
taktiek van totalitaire heersers om hun onderdanen uit
andere banden dan het staatsverband (hier oemma-verband)
los te maken, zodat zij naakt en kwetsbaar tegenover het
oppergezag komen te staan.
Het beeld van Mohammed die steeds grotere delen van de
mensheid inlijft in een Mohammed-getrouwe brigade, wordt
vervolledigd door de uniformiteit die hij zijn volgelingen
oplegt. Reeds aan hun uiterlijk kan je fervente moslims
erkennen : de vrouwen gesluierd, de mannen met de "baard
van de profeet". De betrachting om de profeet te imiteren
gaat inderdaad zo ver, dat men zijn kleding en lichaamsverzorging
nabootst. Van Marokko tot Mindanao en van Nigeria tot
Ningxia vind je talloze moslims die de zorgvuldig bijgeknipte
baard dragen, op wangen en bovenlip geschoren, zoals van
de profeet beschreven. Zoals islamitische theologen zeggen
: de moslim behoeft geen aql (rede), alleen naql
(imitatie).
Ook op gebied van geloof, ritueel en moraliteit legt de
islam een eenvoudige uniformiteit op. In zijn Reisdagboek
van een Filosoof observeert graaf Keyserling : "De
islam is een religie van totale overgave en onderwerping
aan God, maar wel een God van een bepaalde soort, een
oorlogsheer die het recht heeft om met ons te doen wat
hij wil en ons opdraagt om altijd in slagorde klaar te
staan om te strijden tegen een vijand (...) Het ritueel
van deze religie belichaamt dit idee van discipline. Wanneer
de ware gelovigen elke dag op vastgestelde uren hun gebeden
zeggen in gesloten rangen in de moskeeën, en allemaal
dezelfde bewegingen maken op hetzelfde tijdstip, wordt
dit niet, zoals in het hindoeïsme, gedaan als een metode
van zelfrealizatie, maar in de geest waarin de Pruisische
soldaat defileert voor de Kaiser. Deze militaire basis
van de islam verklaart al de essentiële kwaliteiten van
de moslim. Ze verklaart ook zijn gebreken : zijn onprogressiviteit,
zijn onvermogen om zich aan te passen, zijn gebrek aan
vindingrijkheid. De soldaat moet alleen orders gehoorzamen.
Al de rest is de zaak van Allah." (17)
3.6. Een nieuwe ethiek ?
Al Mohammeds beslissingen kunnen vanuit zijn hoogstpersoonlijke
theologie of vanuit zijn strategische situatie verklaard
worden, zonder een groots socio-politiek projekt te impliceren.
Om een voorbeeld uit een heel andere sfeer dan de politiek
te nemen : de mohammedaanse kalender met zijn jaren van
twaalf maanmaanden betekende in de kalenderkunde een dramatische
stap achteruit, en is volledig te verklaren vanuit Moham
meds verkrampte afkeer voor de hele heidense kultuur.
De traditionele kalender was soli-lunair, net zoals de
Babylonische (nog bewaard als de joodse), de hindoe en
de Chinese kalender. Dit betekent dat men maanmaanden
gebruikt, maar dat men zeven keer per negentien jaar een
schrikkelmaand invoegt om gelijke tred te houden met het
zonnejaar.
Mohammed die altijd beklemtoonde dat hij géén zonnekultus
leerde (ondermeer door één van de vijf gebedstonden 's
nachts te houden en door de op de zon gerichte draaizin
van de ommegang rond de Kaäba om te keren), moest in deze
schrikkelmaand per se een heidens komplot zien : "Uitstel
van de heilige maand (n.l. door ervóór een schrikkelmaand
in te lassen) is een exces van het heidendom waardoor
de ongelovigen misleid worden. Zij laten dit het ene jaar
toe en een ander jaar verbieden zij het..." Mohammed schafte
deze toegeving aan het zonnejaar af, zodat het islamitisch
jaar (twaalf maanmaanden of 354 dagen) elk jaar elf dagen
verder achterop geraakt tegenover het zonnejaar. Deze
hervorming kan niet als een verbetering uitgelegd worden
: zij maakt b.v. dat de vastenmaand in de hongerige winter
of in de dorstige zomer kan vallen, in plaats van in de
vroege lente waar zij volgens kuurdokters thuishoort,
en waar ook de christelijke en de heidens-Arabische kalender
de vasten of de maand Ramadan situeerden. Deze hervorming
is niet het gevolg van een koherente visie op het onderwerp
in kwestie, (de tijdsindeling), maar is volledig te wijten
aan Moham meds fixatie op de totale breuk met het heidendom.
Ook op gebied van de ethiek heeft Mohammed geen nieuwe
horizonten geopend. Nochtans zegt de islam-apologetiek
het tegendeel, en ze verwijst daarbij naar Koran-passages
waarin bekering tot de islam in één adem genoemd wordt
met bepaalde deugden, b.v. : "Zij die zich overgeven aan
Allah, en het ware geloof aanvaarden, die vroom oprecht
zijn, en geduldig, nederig, vrijgevig en zedig, die vasten,
en Allah in gedachten houden... aan hen, mannen en vrouwen,
zal Allah genade schenken en rijke beloning." (18) Men
neemt hierbij gemakkelijk aan dat de deugden die hier
samen met de bekering genoemd worden, de heidense samenleving
logischerwijze vreemd moeten geweest zijn. "Elke islamitische
deugd moest veroverd worden tegen de heidense kulturele
achtergrond", zo zegt b.v. Hasan Askari. (19)
In werkelijkheid waren deze deugden bij de heidenen net
zo normatief als in de meeste kulturen. Een aantal deugden
die in de Koran vermeld worden, zijn weliswaar wenselijk,
maar ook buitengewoon banaal. De zedenmeesters, volkswijsheden
en spreek woorden van alle volken hadden de vroomheid,
zedigheid, matigheid, rechtvaardigheid, vrijgevigheid
enz. al zo dikwijls verheerlijkt, dat men zich afvraagt
waarom de eeuwige Allah via Zijn openbaringen deze open
deuren nog eens moest intrappen.
Bijvoorbeeld : "De ware dienaars van de Barmhartige (...)
houden vast aan de gulden middenweg en aanroepen naast
God geen andere god." [Q.25:63-67] Dit vers koppelt het
nieuwe monotheïstische dogma aan de aloude deugd der gematigdheid,
om het door associatie respektabeler te maken. Duizend
jaar eerder hadden Konfucius en Aristoteles de leer van
de gulden middenweg al uiteengezet, veel gedetailleerder
en doordachter, en zonder er een goddelijke openbaring
voor nodig te hebben. Nog eerder hadden Krisjna en Boeddha
al iets gelijkaardigs gezegd, net als vele mindere goden
trouwens. Als Mohammed (alias Allah) deze deugden hier
vermeld heeft, dan is het dus zeker niet omdat hij ze
zo dringend aan de onwetende heidenen moest bekendmaken.
Een sluitender verklaring voor het inroepen van dit aloude
ethi sche kultuurgoed is dat Mohammed respektabiliteit
en overtuigingskracht dacht te winnen door datgene wat
hij van de mensen eiste (geloof in zijn profeetschap en
vernietiging van de "afgoden") te koppelen aan waarden
waaraan gewoon niemand zou willen twijfelen. Het was hem
al door Mozes voorgedaan, die in zijn Tien Geboden het
monotheïsme, de anikonische kultus en het taboe op de
godsnaam aan aloude deugden als ouderliefde en kuisheid
koppelde.
3.7. Gelijkheid Sedert de opkomst van het socialisme verklaren
islam-apologeten dat de islam de proto-socialistische
religie van de gelijkheid is. Allama Mohammed Iqbaal zei
het zo : "Islam is kommunisme plus Allah." De talrijke
aanhang van de islam wordt verklaard als de reaktie van
de verdrukten der aarde tegen de heidense ongelijkheid
: zij verwelkomden de islamitische boodschap van gelijkheid.
In werkelijkheid is sociale gelijkheid maar een zeer zeldzame
verschijning in de islamitische geschiedenis geweest.
En waar ze er was, kan ze nauwelijks aan de invloed van
de islam toegeschreven worden. Zo wijst prof. J.M.M. van
Amersfoort erop dat de egalitaire tendens, waar zij bestaat,
juist van vóór-islamitische oorsprong is : "Zo wordt bijvoorbeeld
vaak gezegd dat de Moslimse wereld egalitair is. Maar
in Noord-Afrika is dat eigenlijk niet het geval, de egalitaire
impuls komt daar juist vanuit de oude 'hei dense' stamtraditie."
(20) Drie vormen van ongelijkheid worden door de islam
goedgekeurd en aangemoedigd : de onderschikking van de
vrouw aan de man, de slavernij, en de diskriminatie van
andersdenkenden. Op het eerste punt zijn de islamitische
opvattingen niet wezenlijk verschillend van de normen
betreffende de man-vrouw-relatie (althans voor de hogere
klassen) in de christelijke, konfuciaanse of brahmaanse
kulturen in hun laat-klassieke, reeds geskleroseerde periode;
alleszins is het uitgangspunt, n.l. de ongelijkheid en
de vaste rolverdeling tussen man en vrouw, niets exklusief
islamitisch. Alleen de totale rechteloosheid van de vrouw
tegenover het recht van de man om haar zuiver willekeurig
en zonder enige verdere ver plichting te verstoten onderscheidt
de islam van andere patriarchale kulturen. Wel blijkt
de islam door zijn fixatie op het "zoomloos kleed" der
openbaring veel resistenter tegen modernizering en emancipatie,
zodat hij barbaarse verhoudingen in stand houdt die voor
een middeleeuwse kultuur nog begrijpelijk waren maar vandaag
onduldbaar zijn.
Op de twee laatste punten, slavernij en onverdraagzeaamheid
tegen andersdenkenden, is de islam echter met lengtes
voorsprong de kampioen in de wereldgeschiedenis (zie hoofdtuk
4). Daarnaast is er ook tussen moslims onderling een vanzelfsprekende
ongelijkheid, waar de schijnbare gelijkheid tijdens het
kollektief vrijdaggebed niets van afdoet. Het is juist
dat in de primitieve moslim-gemeenschap in Medina weinig
maatschappelijke hiërarchie was : de roofbuit werd in
het algemeen gelijk verdeeld onder de moslims. Toch was
er verschil in aanzien tussen de Profeet zelf, degenen
die met hem uit Mekka gemigreerd waren, de eerste generatie
helpers uit Medina, en de later bekeerden. Er was geen
feodaal stelsel noch een sterk centraal staatsgezag, maar
dit was geen bijdrage van de islam, wel een natuurlijk
kenmerk van een tribale samenleving. Naarmate het islamitisch
rijk uitdijt van stadsstaat tot wereldrijk, zien we dezelfde
feodale verhoudingen ontstaan als in andere wereldrijken
van die periode. Mohammed heeft ook nooit gewild dat er
gelijkheid zou heersen, zelfs niet tussen moslims onderling.
Als drie moslims op reis zijn, moeten ze een amier
(emir) kiezen, dus een militaire bevelsstruktuur kreëren
om op alles voorbereid te zijn. Maar er is meer. Zoals
de linkse Palestijnenvoorvechter Lucas Catherine opmerkt
: "De koran staat niet alleen ekonomische ongelijkheid
voor in de maatschappij. Ongelijkheid op alle niveaus
is de wil van God... Wie deze ongelijkheid wil te niet
doen is een blasfemist, vooral als hij tot de bevoorrechten
behoort." (21) En hij verwijst hiervoor naar de Koran
zelf : "Wij verheffen sommige mensen enkele stappen hoger
dan de anderen, zodat zij de anderen als hun minderen
kunnen beschouwen" [43:32]; "Uw Heer geeft in overvloed
aan wie Hij wil, en spaarzaam aan wie Hij verkiest" [17:70
en 42:12]; en : "Aan sommigen heeft God meer gegeven dan
aan anderen. Degenen die Hij aldus bevoordeeld heeft zullen
hun slaven geen gelijk deel gunnen van wat zijzelf hebben.
Zouden zij soms (n.l. door Gods verdeling van rijkdom
en armoede te wijzigen) Gods goedheid miskennen ?" [16:71]
(22)
In India bestaat een vorm van maatschappelijke hiërarchie
onder endogame groepen, bekend als het kastenstelsel.
Aangezien dit bij uitstek een vorm van ongelijkheid lijkt
te zijn, ligt het voor de hand, aan te nemen dat een boodschap
van gelijkheid daar erg veel belangstelling zou krijgen.
Eén derde van de moslims woont in het Indisch subkontinent,
en dat zouden hoofdzakelijk (afstammelingen van) bekeerde
hindoes van lage kaste zijn, ondermeer van de zgn. onaanraakbaren,
die de islamitische boodschap van gelijkheid verwelkomden;
aldus tenminste de moderne apologetiek, die op grote schaal
nagepraat wordt. De hedendaagse situatie levert alvast
weinig steun aan die theorie. Indiase moslims beoefenen
evenzeer de onaanraakbaarheid als hindoes doen : dat onaanraakbaren
(volgens de wet : ex-onaanraakbaren) drinken van een bron
die ook door moslims gebruikt wordt, is een frekwente
oorzaak van rellen. Zeer vele hindoe-moslim-rellen beginnen
met aanvallen van moslims op wijken van hindoe onaanraakbaren.
Na de splitsing van India verhinderden de Pakistani's
de onaanraakbaren naar India te vertrekken (waartoe de
onaanraakbaren-leider dr. Bhimrao Ambedkar hen opriep);
zich tot de islam bekeren was hun eveneens verboden, want
als moslim-bekeerling zouden ze het vuile werk niet meer
willen doen (wel werden zij tot open jachtterrein voor
de christelijke missionarissen verklaard). Ook in de middeleeuwen,
onder moslim-heerschappij, zijn uit de laagste kasten
praktisch geen bekeringen tot de islam voorgekomen.
De fabel dat de islam als een bevrijding door de lage
kasten verwelkomd werd, is rond 1920 gelanceerd door prof.
Mohammed Habieb. Intussen behoort deze fabel tot de politiek
korrekte denkkader van de Indiase marxisten en moslim-integristen.
Maar hij wordt nu zelfs tegengesproken door Habiebs zoon,
prof. Irfaan Habieb, doktrinair marxist en net als zijn
vader geschiedenisprof aan Aligarh Muslim University.
Deze stelt vast dat de werken van moslim-auteurs uit de
middeleeuwen "geen engagement voor enige dergelijke sociale
gelijkheid" vertonen. Zij bevatten volop kritiek op "afgoderij"
en veelgodendom, maar geen spoor van kritiek op het kastestelsel,
de leer van bezoedeling en de onderdrukking van onaanraakbaren,
aldus Habieb in een recente paper. Integendeel, de moslims
beoefenden zelf een etnisch kaste-onder scheid : Minhaadj-oes-Siraadj,
een 13de-eeuws rechtsgeleerde, had gesteld dat de moslim-heersersklasse
tot Turken en Tadjieken van zuivere afstamming beperkt
moest blijven. Bovendien was de islam toen overtuigd van
de juistheid van een hiërarchische maatschappij-ordening,
zoals uitdrukkelijk bepleit door de 14de-eeuwse orthodokse
theoloog Zia-oed-dien Baraani. (23)
In werkelijkheid is er geen enkele bron van vóór deze
eeuw die onvrede met het kastestelsel als reden voor bekering
tot de islam noemt. Een 14de-eeuws moslim-auteur aan het
sultanale hof te Delhi, Sajjed Mohammed bin Nasiroeddin
Djafar Makki al-Hoesaini, schrijft dat er vijf redenen
waren die mensen tot bekering tot de islam dreven :
1) vrees voor hun leven;
2) vrees dat hun familie tot slaaf gemaakt zou worden;
3) islamitische propaganda;
4) verlangen naar beloningen en buit;
5) bijgeloof (dit betreft wellicht de mirakels waar soefi-asceten
aanspraak op maakten). (24)
Ter bevestiging van punten 1 en 2 verwijzen we ook naar
de bekende Marokkaanse wereldreiziger Ibn Battoeta, die
in zijn geschriften de hoofdrol van gedwongen bekering
erkend en de massa-slaafnemingen van ongelovigen beschreven
heeft. Hij meldt ondermeer : "Andere naties aanvaardden
de islam slechts wanneer de Arabieren het zwaard tegen
hen gebruikten." (25)
Prof. K.S. Lal merkt op : "Toenmalige geschriften van
Per zische kroniekschrijvers vermelden kaste nergens als
een faktor van bekering. Moslim-historici uit middeleeuws
India waren zich goed bewust van het bestaan van het kastestelsel
in de hindoe samenleving : Albiroeni, Aboel Fazl, keizer
Djahaangier, om er slechts enkelen te noemen. En toch
noemt niemand zelfs maar één enkele keer verdrukking van
de mensen van lage kaste als oorzaak voor bekering." (26)
Ik zou daar nog aan toevoegen dat vele lage kasten er
blijkens inskripties prat op gingen dat ze na de nederlaag
van de middenkaste tegen de moslim-invallers de fakkel
van het verzet tegen de islam overgenomen hadden.
De islam kiest noch voor het socialisme, noch voor de
gelijkheid, zelfs niet tussen moslims onderling. Zoals
Maulana Maudoedi schreef : "Het beginsel dat de mens vrij
moet zijn om zijn levensonderhoud te verdienen, dat hij
het eigendomsrecht over al wat hij door zijn arbeid moet
behouden, en dat ongelijkheid tussen de mensen ten gevolge
van hun verschillende bekwaamheden en omstandigheden moet
bestaan, wordt door de islam erkend in de mate waarin
het in overeenstemming is met de natuur." (27) Dit is
niet onredelijk, en nog heel wat anders dan een pleidooi
voor de slavernij, maar toch al in tegenspraak met de
propaganda die van de islam "kommunisme plus Allah" of
alleszins een egalitair aktivisme wil maken.
3.8. Demokratie
"We moeten allianties sluiten om de gemeenste aanvallen
(tegen het Algerijns islamisme) af te slaan. Zo moeten
we, tegenover het geschrijf over een dreigend totalitarisme,
uitleggen dat de islamisten in het volk geworteld zijn,
dat ze sociaal werk doen. Anderzijds moeten we (ook de
FIS-leiders) erop wijzen dat, als men 'uitdrukking van
de volkswil' in de Europese talen 'demokratie' noemt,
de islamisten er verkeerd aan doen, te verklaren dat 'demokratie
on-islamitisch is'. In Algerije steunt 70% het islamitisch
projekt, 30% niet, en met hen moeten we diskussie voeren."
Aldus de Franse bekeerling prof. Abdullah (Jean) Herbert
tijdens de Europese Moslimkonferentie van april 1992 te
Genk.
Hij bepleitte er de verenigbaarheid van de islam met de
beste elementen in de moderne kultuur : "Men voert aan
dat de religie obskurantisch is, middeleeuws, anti-wetenschap.
Maar vele islamitische bewegingen worden geleid door wetenschappers,
inge nieurs, artsen. De beste universiteiten zijn die
waar de islam het ferventst is." In die optiek moet ook
de vereenzelviging van de islam met middeleeuwse gezagsopvattingen
opnieuw bekeken worden.
De tegenstelling tussen islam en demokratie, die het FIS
ondubbelzinnig geponeerd heeft, en die prof. Herbert hier
ontkent, is echter meer dan een kwestie van terminologie.
Prof. Herbert heeft natuurlijk gelijk : een beraadslagende
vergadering (madjlies-i-sjoera), of noem het een
parlement, is geheel overeenkomstig de richtlijnen van
Koran en Soenna. Maar is dat voldoende om van demokratie
te spreken ? De besluiten van de wetgevende vergadering
zijn onderworpen aan basisbeginselen, vervat in een grondwet.
In een echte demokratie wordt deze grondwet op zijn beurt
opgesteld (en eventueel gewijzigd) door een grondwetgevende
vergadering, die representatief samengesteld is door het
soevereine volk. In een islamitische staat echter is dit
raamwerk van grondbeginselen waaraan alle wetsbesluiten
moeten voldoen, niet door een representatieve vergadering
opgesteld, maar door God. Het volk is niet soeverein,
want God is soeverein, en het volk kan alleen eigen besluiten
nemen binnen het kader van de door God Zelf in de Koran
geopenbaarde grondbeginselen. De islamitische staat definieert
zichzelf als een theokratie, en kan slechts in ondergeschikte
orde ruimte laten voor wat demokratische besluitvorming.
En in de praktijk is zelfs van die beperkte beraadslaging
nooit veel in huis gekomen : de militarizering van de
islamitische staten leidde vanzelf tot autoritaire staatsstrukturen.
Het is geen toeval dat de meeste moslimlanden geen demokratie
kennen, en dat de weinige pogingen in die richting maar
beperkt sukses hebben : ze hebben er veertien eeuwen lang
geen enkele ervaring mee gehad, en ook nu krijgen ze geen
aanmoediging vanwege hun religieuze leiders om zich in
de demokratie te bekwamen.
<<PAGE
1 <<PAGE
2 PAGE
4>>