3. De fatwa tegen Urbain Vermeulen
(Deze tekst is in kortere vorm verschenen in Nucleus,
en nadien in functie van het verdere verloop van de zaak
nog aangevuld.)
3.1. Een ochtendkrant in aktie
Op 19 april 2000, tijdens het persoverzicht van halfacht,
werd radio-luisterend Vlaanderen opgeschrikt door de frontale
aanval die de hoofdredacteur van een ochtendkrant lanceerde
tegen Vlaanderens befaamdste islamoloog, prof. Urbain
Vermeulen. Volgens nieuwslezer Jan Huys sommeerde Yves
Desmet in zijn hoofdartikel de KU-Leuvense rector om prof.
Vermeulen te "stoppen". En inderdaad, onder
de titel "Een fijnbesnaard man" gaf Desmet de
lezers van De Morgen dit besluit mee: "...
toch kan het in dit land dat een dergelijk individu, getooid
met doctorsbul en professorstitel, ongestoord de baarlijkste
nonsens kan uitkramen. Er moet toch iemand zijn die hier
iets kan tegen doen? Meneer de rector van de KUL, mijnheer
de minister van justitie?"
Wat heeft Vermeulen miszegd dat men hem het zwijgen zou
moeten opleggen? De Morgen baseerde deze aanval
op mondelinge "racistische" citaten die door
informanten bezorgd maar niet bij de betrokkene geverifieerd
waren. Zulke niet-verificatie is inmiddels een traditie
bij deze krant, zie de loze beschuldigingen over Luxemburgse
rekeningen tegen Didier Reynders en "een CVP-oud-premier",
over een affaire tussen koning Boudewijn en zijn stiefmoeder
prinses Lilian, of Yves Desmets infame campagne tegen
notaris X (anders dan Leo Dehaes, die samen met Desmet
de kat de bel aanbond tegen de "pedofiele" notaris,
maar die van eerlijke schaamte alle commentaar weigerde
toen de inmiddels opgegroeide zonen "Wim en Jan"
de onschuld van hun vader bevestigden, is Desmet door
dik en dun zijn lasterlijk verhaal blijven volhouden).
Haar informanten waren leden van een plaatselijke "integratieraad"
in Leopoldsburg, die in een zaal in het legerkamp aldaar
een lezing van Vermeulen bijgewoond hadden. Althans totdat
volgens hun eigen zeggen het volgende gebeurde: "De
aanwezige leden van de integratieraad, zelf moslims, wilden
reageren. Maar professor Vermeulen repliceerde: 'Zwijgen,
we zijn hier niet in Turkije.' Waarop de moslims de zaal
verlieten, onder luid applaus overigens van de aanwezige
militairen." (aldus Cathy Galle: "Integratiesector
pikt uitspraken Vermeulen niet", De Morgen,
19-4-2000)
Vooraleer de gewraakte citaten onder het vergrootglas
te houden, moeten we eerst het getuigenis van de organizator
van deze lezing vermelden. De heer Norbert Bracke laat
weten: "Die bewuste avond was niet georganizeerd
door mensen van de krijgsmacht, maar door mijzelf, in
naam van het Museum van het Kamp van Beverlo. Dit museum
(...) staat los van de krijgsmacht en kreeg alleen een
militaire zaal ter beschikking. (...) De groep toehoorders
bestond voor 95 procent uit gewone burgers." En vooral:
"Professor Vermeulen kreeg die avond geen sympathieapplaus
dat tegen de aanwezige migranten was gericht, maar wel
voor zijn kordate optreden tegen het voortdurend onderbreken
van zijn betoog." ("Professor Vermeulen",
lezersbrief in De Standaard, 26-4-2000)
Even wedersamenstellen. Blijkens deze twee getuigenissen
zei de professor pertinente dingen over de islam; de aanwezige
moslims begonnen daarop zijn lezing te storen; hij liet
zich provoceren tot aanstootgevende uitspraken; toen hij
de onderbrekingen echt beu werd, zei hij hen van nu eindelijk
eens hun mond te houden, hem te laten uitspreken, en net
als iedereen hun beurt af te wachten tot het vragenuurtje;
en toen stapten zij verongelijkt naar buiten en naar een
bevriende krant, die hun partijdige versie van de feiten
graag een forum verleende.
De Morgen stelt het als een schandaal voor dat
Vermeulen ergens uitgenodigd wordt, bv. in de onthulling:
"Omstreden professor gaf islamvorming aan staatsveiligheid"
(Cathy Galle, 3-5-2000), of: "Omstreden islamdeskundige
Urbain Vermeulen is weer van de partij op rechtbank"
(Jan De Zutter, 13-11-2000). De bedoeling van De Morgen,
die blijkbaar liever het beleid bepaalt dan er alleen
maar over te berichten, is duidelijk: beroepsverbod en
spreekverbod voor Vermeulen, minstens op alle forums onder
bevoegdheid van de overheid. Bij de staatsveiligheid wou
men, met verwijzing naar de academische vrijheid, nog
niet meteen door de knieën gaan, maar: "Toch
werd na het recentelijk in opspraak komen van de professor
ook binnen de staatsveiligheid nagedacht of een nieuwe
samenwerking met de professor wel wenselijk is."
Professor Vermeulen zal ondervinden dat, ongeacht het
resultaat van het onderzoek dat rector Oosterlinck tegen
hem bevolen heeft, weinigen nog in zijn gezelschap zullen
willen gezien worden. De ene domino na de andere zal vallen,
en het ordewoord om hem te boycotten zal zich tot in alle
uithoeken van de wereld verspreiden. Een eventueel later
bericht dat hij volledig in het gelijk gesteld is, kan
maar een klein percentage van de schade ongedaan maken.
3.2. Dolksteek op ùw niveau
Na de brutale aanval in De Morgen deed de traditioneel
met de KUL gelieerde krant De Standaard er fijntjes
volgende dolksteek bovenop: "Lange tijd gold professor
Urbain Vermeulen, afdelingshoofd Arabistiek en Islamkunde
aan de KU Leuven, als dé Vlaamse expert in de islam.
Maar zijn weinig fijnbesnaard taalgebruik en -- casuele
-- beledigingen tegen moslims keren zich nu tegen hem.
Een recent incident is er teveel aan", aldus Nadia
Dala ("KU Leuven start onderzoek tegen islamoloog",
De Standaard, 20-4-2000). Merk op hoe Vermeulens reputatie
van in de openingszin van het artikel, nog voor er één
nieuwsfeit gemeld is, in de verleden tijd gesitueerd wordt.
De beschuldigingen van "beledigingen tegen moslims"
worden voetstoots aangenomen en zelfs als een sinds lang
bekende toestand voorgesteld.
Er is niets gebeurd dat aan Vermeulens deskundigheid een
einde gemaakt heeft. Zoals rector Oosterlinck terecht
opgemerkt heeft (VRT Radio-1, 20-4-2000): Vermeulens visie
op de islam wordt gedeeld door andere vooraanstaande islamkenners.
Wel is het zo dat Vermeulen al een jaar uit de ether verdwenen
is. Na de beroering rond zijn boek Islam en Christendom,
het Onmogelijke Gesprek? (Davidsfonds, januari 1999),
waarin hij de zeer geringe dialoogbereidheid aan moslimzijde
aan de orde stelde, ging het signaal rond dat Vermeulen
aan het eind van zijn loopbaan blijkbaar geen blad voor
de mond meer wou nemen, en dat zijn politiek incorrecte
opvattingen uit de media geweerd moesten worden. De staatsomroep
doet dat erg grondig, net zoals de Sovjet-Encyklopedie
Trotski van oude foto's wegretoucheerde. Toen de Antwerpse
zanggroep de Strangers, die sinds jaar en dag bijeenkomsten
van allerlei organisaties opluisterde (ook extreem-linkse:
uit mijn linkse tijd herinner ik me een Strangers-optreden
op een "strijdfeest" van de Revolutionaire Arbeidersliga),
eens optrad voor een rechts publiek, was het op de staatsomroep
op slag alsof de Strangers nooit bestaan hadden: weg,
down the memory hole. Zelf heb ik het ook ondervonden:
toen mijn boek De Moord op de Mahatma uitkwam,
daags voor de 50ste verjaardag van de moord in kwestie,
werd ik door medewerkers van radio en TV gevraagd voor
een interview, maar enkele uren later kreeg ik een telefoontje
waarin dezelfde mensen mij gegeneerd meedeelden dat hun
oversten, euh, er anders over beslist hadden. Mij verraste
het dus niet dat Vermeulen plots van het scherm verdween,
maar dat verandert niets aan zijn status als "dé
Vlaamse expert in de islam".
Als pretentieuze krant van academisch niveau pleegt De
Standaard ook de competentie van geviseerde personen
in twijfel te trekken, dus: "Kollega's laten zich
niet on the record uit over de hoogleraar, maar één
van hen wilde wel kwijt dat 'Vermeulen nauwelijks modern
Arabisch spreekt. Hij kan dus niet verstaan wat er gebeurt
in de Arabische wereld." Dit laatste is klinkklare
onzin: als oudstudent van Vermeulen kan ik getuigen dat
ik hem talloze keren levend Arabisch heb zien lezen, voorlezen,
simultaan vertalen en spreken; al zullen leerkrachten
modern Arabisch (zoals de geciteerde anonieme bron, die
zich op 28-4-2000 in een lezersbrief bekend maakte als
zijnde Mark van Mol, docent modern Arabisch aan de KUL)
zichzelf op dat punt wel superieur vinden. In ieder geval
heeft Vermeulen vlot toegang tot de bronnen van het hedendaags
islamitisch denken, want in tegenstelling met de spreektaal
wijkt het geschreven modern Arabisch, waarin de ideologische
teksten van integristische bewegingen gesteld zijn, weinig
af van het klassiek Arabisch waarin Vermeulen een wereldwijd
erkend specialist is.
Overigens geldt voor het Midden-Oosten wat ik ook voor
India vaak heb kunnen vaststellen: er geweest zijn en
de taal spreken helpen weinig om tot begrip te komen van
"wat er gebeurt" als je de basisgegevens van
de betrokken beschaving niet verwerkt hebt, en dat is
het geval met vele arabisten, zoals we dadelijk zullen
zien. Omgekeerd is het zo dat zeer veel Arabieren behoorlijk
Engels spreken en dat er een florissante engelstalige
moslim-pers bestaat (ga maar eens kijken in boekhandel
Al-Hoda op de Londense Charing Cross Road), zodat
iemand die weet waarop hij moet letten, zich zelfs zonder
Arabisch een behoorlijk beeld van de hedendaagse ontwikkelingen
kan vormen. Al blijft dat zeldzaam: perscorrespondenten
die de plaatselijke taal niet leren, brengen er meestal
weinig van terecht, minder omdat zij niet aan goede informatie
geraken dan omdat zij blijkens hun onwil om de taal te
leren de plaatselijke bevolking en cultuur niet voldoende
ernstig nemen. Juist professor Vermeulen drukt daarom
zijn studenten altijd op het hart om zich ter plaatse
de levende taalkennis te gaan verwerven. Zo hoorde ik
hem eens van leer trekken tegen de slaptitude terzake
van de Belgische vertegenwoordigers in de Arabische landen,
die op hun ambassades liever De Standaard lezen
dan Al-Ahraam (waarvan overigens een wekelijkse
Engelse versie verschijnt van zeer goed niveau, ook als
bron van nieuws en duiding over de wereld buiten het Midden-Oosten
aanbevolen).
Inmiddels vertolkt Mark van Mol met zijn klemtoon op "wat
er gebeurt" een populair doch fout en oppervlakkig
uitgangspunt, namelijk de misvatting dat de islam fundamentele
wijzigingen ondergaat en dat de eeuwenlang stabiel gebleven
leerstellige basis van de islam door nieuwe ontwikkelingen
overschaduwd wordt. Zoals Lucas Catherine het ooit in
een polemiek tegen mijzelf uitdrukte: de Koraan is al
"een oud boek" en dus minder belangrijk voor
een goed begrip van de hedendaagse islam (Vuile Arabieren,
p.81). Om de islamwereld van nu te begrijpen is kennis
van Koraan en Hadieth (handelingen van de Profeet) echter
nog altijd belangrijker dan kennis van de jongste trends
in media en samenleving, want deze jonge plantjes groeien
in de schaduw van een bijna 1400 jaar oude boom en zijn
daar volledig door getekend. Moslims houden veel sterker
vast aan hun basistekst dan christenen doen, en hun religie
beheerst ook veel meer aspecten van cultuur en samenleving
dan bij de meeste andere religies het geval is. Mocht
de Koraan aan belang ingeboet hebben, dan moeten mensen
als van Mol en Catherine eens uitleggen waarom de Koranische
discriminaties tegen niet-moslims blijven voortbestaan.
Want dat zou pas echt verandering in de islamwereld zijn:
als moslims, christenen en anderen gelijk behandeld worden,
of als moslims zich onbezwaard van de islam zouden mogen
afkeren.
3.3. Postmodern in Bagdad
Een voorbeeld van een nieuwe trend die Vermeulen ontgaan
zou zijn, is het "postmodernisme in het Arabische
denken", althans volgens twee andere KUL-wetenschappers,
dr. Daniël De Smet en drs. Jan van Reeth ("Islamkunde
in opspraak", DS, 26-4-2000), die overigens aan de
Turkse en islamitische gemeenschap hun oprechte verontschuldigingen
aanbieden voor Vermeulens "schandige" uitspraken.
Een vertegenwoordiger van dit postmodernisme, de Iraakse
dichter Azawi, doorspekt zijn verzen met "fijnzinnige
humor en ironie", en dat moet ons van het vooroordeel
afhelpen als zouden "Arabieren druiloren zijn die
niet kunnen lachen". Wel, wel.
Eerst en vooral schijnen onze betweters niet te weten
dat de term "postmodernisme" juist onder militante
islamisten erg in trek is. De leidende Indiase islamist
Syed Shahabuddin, uitgever van het maandblad Muslim
India, heeft bij de postmodernisten enkele ideetjes
geleend die goed van pas komen in de politieke vooruitgang
van moslims in minderheidssituaties, zoals dus in India
of Europa. Belangrijkst daarin is het afstand doen van
algemeengeldige waarheidsaanspraken, met name middels
het cultuurrelativisme: dit moet de islam gelijke rechten
geven, recht op intellectuele erkenning als gelijkwaardige
doctrine, maar ook recht op politieke erkenning in de
vorm van staatssteun voor moskeeën en islam-onderricht,
en vooral de invoering van de islamwetgeving voor alle
inter-moslim aangelegenheden (huwelijk, erfrecht). Typisch
voor de moderniteit is de erkenning van een objectieve
waarheid die door de rede achterhaald kan worden, en deze
vormt een directe bedreiging voor doctrines gebaseerd
op openbaringsgeloof; daarom is het "postmodernisme"
als verzaking aan de pretenties van de moderniteit een
welkome bondgenoot voor zegslieden van irrationele doctrines.
Het premoderne dat door de moderniteit naar de antiekzaak
verwezen werd, vindt nieuwe respectabiliteit in het postmodernisme.
Maar goed, ik wil op gezag van De Smet en van Reeth wel
aannemen dat hun "Arabisch postmodernisme" iets
heel anders is, en dat die Iraakse postmodernist echt
een frisse vernieuwer is en geen arglistige islamistische
strateeg. In het nominaal sekuliere Irak zullen sommige
topfiguren van de sekulier-nationalistische Baath-partij
wellicht wat ademruimte toemeten aan plaatselijke imitatoren
van de jongste ideologische modes uit het Westen. En daar
zal dan wel wat universeel-menselijke "fijnzinnige
humor en ironie" aan bod kunnen komen, want wie (zelfs
in vertaling) wat verzen van de voor-islamitische Arabieren
en van de talloze crypto- of openlijke dissidenten van
het laatste millennium gelezen heeft, weet natuurlijk
dat Arabieren niet noodzakelijk "druiloren zijn die
niet kunnen lachen". Maar dat is allerminst een verdienst
van de islam. Men vindt humor in religieuze basisteksten
van de Bijbel over de Veda's tot de Daodejing, maar de
Koraan is echt het werk van een druiloor die niet kon
lachen. Mohammed had een probleem met humor, en zijn ergste
vijanden waren de hekeldichters die in Arabië een
belangijke sociale functie vervulden, maar die niet tijdig
hun mond wisten te houden toen hun stadgenoot zich van
zakenman tot zegsman Gods ontpopte. Het eerste geweld
tussen moslims en niet-moslims bestond uit een moslim-uitval
tegen ongelovigen die hen zagen bidden, zo met hun achterste
in de lucht, en in lachen uitbarstten. Mijn vroegere Marokkaanse
buurman zei me altijd van niet luidkeels te lachen, "want
dan komt de duivel naar binnen". Natuurlijk is er
humor in Arabië, maar dan ondanks en niet dankzij
de islam.
Zoals vele onnadenkende islamologen maken De Smet en van
Reeth geen verschil tussen de islam en de volkeren die
momenteel de islam belijden. Onder de verdiensten van
moderne Arabieren die tot "de wereldtop" zouden
behoren, noemen zij bv. de muziek. Feit is dat Mohammed
een hekel had aan muziek en er zijn oren voor toestopte,
dit wellicht als gevolg van een storing in het sensoriële
centrum in zijn hersenen (zoals de Vlaamse psycholoog
dr. Herman Somers betoogt in zijn baanbrekend boek Een
Andere Mohammed, Hadewych 1993). Rechtgelovige moslimheersers
die de modelmens Mohammed in alles wilden navolgen, zoals
Mogolkeizer Aurangzeb (ca. 1700), legden strenge beperkingen
op aan de muziekbeoefening. Toen werkloze muzikanten onder
zijn balkon een betoging hielden waarin ze een doodskist
ten behoeve van de stervende muziek meedroegen, zei Aurangzeb
hun van ze zo diep mogelijk te begraven zodat ze nooit
meer zou verrijzen. De Pakistaanse qawwalli en andere
soefi-muziek vinden hun oorsprong in voor-islamitische
mystiek die door de islamgeleerden na lange afwijzing
uiteindelijk pas getolereerd werd toen zij nuttig bleek
om de ongeletterde massa's voor de islam te lijmen. Men
vergelijke de minachting van de islam voor de muziek met
het centrale belang in de geestelijke beleving dat Luther
aan de muziek toekende; met koning David die voor God
zong en danste; met de status van Indiase klassieke muziek
als "vijfde Veda" (Indiase musici voeren de
titel pandit, "schriftgeleerde"); met
Confucius en Pythagoras volgens wie muziek fijngevoeligheid
en zin voor maat, dus matiging en zelfbeheersing, bijbrengt.
In dit opzicht is de islam een eenzame uitzondering onder
de wereldgodsdiensten. Arabische muziek is er niet dankzij
maar ondanks de islam.
Hetzelfde geldt ook voor schilderkunst: uitbeelding van
mens en dier is in de islam verboden, en de belangrijkste
school van "moslim"-schilderkunst was dan ook
die van de ketterse Mogol-keizer Akbar, die hoofdzakelijk
door hindoes bemand werd. Aan zijn hof werkte ook de muzikant
en componist Tansen, die vaak als "moslim-bijdrage
aan de Indiase muziek" wordt opgevoerd. Tansens vorming
was volledig hindoe, maar om te kunnen trouwen met de
moslimvrouw aan wie hij zijn hart verloren had, moest
hij zich tot de islam bekeren. Aan de islam had zijn muziek
volstrekt niets te danken, zoals ook de algebra en de
oliewinning het perfekt zonder de islam hadden kunnen
stellen.
De bijdrage van de islam aan de wetenschap was volledig
negatief. De bloei van wijsbegeerte en wetenschappen in
de eerste eeuwen van het kalifaat was te danken aan de
overname van niet-islamitisch kultuurgoed, en merk op
dat de niet-moslims toen nog de meerderheid van de bevolking
vormden, terwijl de islamitische wetgeving nog onvolgroeid
was. Zodra de islam de Arabische wereld volledig in zijn
greep had, trad de stagnatie in. Een scharnierfiguur hierin
was de theoloog Al-Ghazali (ca. 1100), die polemizeerde
tegen de volgelingen van de heidense wijsgeer Aristoteles
(ondermeer Averroës) en de rede grondig ondergeschikt
maakte aan de schriftuurlijke casuïstiek. Arabische
verdiensten voor de beschavingsgeschiedenis zijn er wel,
islamitische niet. Overigens: in het bekendmaken van de
magnifieke zonzijde van de Arabische cultuur heeft niemand
in Vlaanderen meer verdienste dan Urbain Vermeulen.
3.4. Waar of niet?
De Standaard, erg in trek op ambassades, citeert ook nog
"diplomatieke bronnen" die beweren: "Tijdens
informele gesprekken, op recepties en op ambassades, verwoordt
[Vermeulen] standpunten over de islam die kant noch wal
raken." Ik heb dat soort scheldpartijen al zo vaak
gehoord van mensen die zonder argumenten vallen, dat ik
ook hier verregaande ondeskundigheid als verklaring durf
vermoeden. Na al die jaren ken ik Vermeulens deskundige
standpunten wel zo'n beetje, en ik kan er mij geen herinneren
dat "kant noch wal raakt". Of zouden de gewraakte
uitspraken van Leopoldsburg aan die beschrijving beantwoorden?
Hij zou, volgens zijn vijanden, deze vier dingen gezegd
hebben:
1. "Als de Westerlingen er niet op gewezen
hadden dat er iets onder hunne zandbak zat, dan hadden
ze nooit olie gevonden. Nu zeggen de Arabieren dat God
het hun gegeven heeft."
2. "Turkse mannen zijn enkel geïnteresseerd
in wat tussen de vrouwen hun benen zit. Hiervoor moorden
zij elkaar uit."
3. "De Turken hebben zelf al holocausten
uitgevoerd op andere volkeren. De Duitsers zijn dus niet
begonnen met Endlösung."
4. "De Turkse staat wordt bestuurd door
vier zatte generaals, vier pasja's vanuit Ankara."
Vermeulens bewoordingen, voorzover juist weergegeven,
waren wat al te goed aangepast aan het soldatengezelschap
dat hij in Leopoldsburg verwachtte aan te treffen, maar
zijn stellingen zijn inhoudelijk zeker niet "te gek
voor woorden", zoals Yves Desmet meende. Zo is het
gewoon een feit dat de oliewinning in de Arabische "zandbak"
(beledigende term, doch vgl. "de grote plas"
voor de NAVO-oceaan) door Westerlingen gestart is. Anderzijds
is het waar dat, zoals Lucas Catherine ("Arabistiek
met gaten", De Standaard, 26-4-2000) opmerkt,
de Arabieren al vertrouwd waren met het natuurverschijnsel
van de opborrelende of op water drijvende aardolie, Arabisch
nafta, en die ook als brandstof gebruikten. Ook
andere volkeren in die regio kenden het, en waarschijnlijk
was nafta het geheim van de profeet Elia toen hij
tijdens zijn duel met de Baäl-priesters "water"
op zijn offerdier goot en het daarmee onder een felle
zon vlam deed vatten. Maar voor het industrieel potentieel
van de aardolie, en voor het ontdekken en aanboren van
ondergrondse voorraden, dus voor hun huidige fabelachtige
olie-inkomsten, moesten de Arabieren inderdaad op Westere
tussenkomst wachten. Ook de term benzine, waarvan Catherine
terecht zegt dat hij uit het Arabisch komt, heeft niets
met aardoliewinning te maken: hij is afgeleid van benzoë,
van Arabisch lobaan-djawi, (in de Romaanse talen werd
lo- ten onrechte als lidwoord geïnterpreteerd, dus
"de baan-djawi"), "olie van Java",
een plantaardige olie. Anders dan hun Westerse fans hebben
de Arabieren zich nooit beroemd op technische prestaties.
Zij putten hun fierheid uit hun bezit van de ware godsdienst,
en lieten de eer van de wetenschappelijke verdiensten
graag aan anderen over: hun wiskunde was Indisch, hun
sterrenkunde hellenistisch, hun bestuurssysteem Perzisch,
hun moskeebouw Byzantijns, hun scheikunde Chinees. Daarom
noemen zij hun geneeskunde Joenani tibb, "Griekse
geneeskunde", en hun "Arabische" cijfers
rakmoe'l-Hindi, "Indische cijfers". Naast de
industriële oliewinning waren ook een aantal humanitaire
verworvenheden zoals de afschaffing van de slavernij in
het Midden-Oosten aan Westerse tussenkomst te danken.
Het is eveneens een feit dat Turkije er al enkele volkerenmoorden
en etnische zuiveringen heeft opzitten. Het betrof, om
ons tot de 20ste eeuw te beperken, Armeniërs, Grieken,
Koerden, Assyriërs en Chaldeeërs. Wie de ooggetuigenverslagen
van de pogroms niet wil geloven, mag zich tot de koude
bevolkingscijfers wenden en uitleggen waarom het christelijke
aandeel op honderd jaar tijd gezakt is van één
derde van de bevolking tot minder dan één
procent. Aan Vermeulens critici zou ik willen suggereren,
dit vervelende feit met een heel ander soort argument
te beantwoorden. Dat de minderheden juist in de 20ste
eeuw zo geleden hebben, onder het halfseculiere jong-Turkse
en onder het militant-seculiere Kemalistische bewind,
is niet alleen te wijten aan materiële omstandigheden
zoals de verplettering van het Ottomaanse rijk in 1914-18
of de toenemende bevolkingsdruk en beter transport die
aan het isolement van christelijke gemeenschappen in het
zuidoosten een einde maakten. Er is ook de religieuze
factor: onder islamitisch bewind werden de niet-moslims
"op hun plaats" gehouden, als ondergeschikten
zonder kans op politieke machtsovername, en in ruil beschermde
de moslim-overheid hen doorgaans tegen eventuele agressie
van door Koraanpredikers opgehitst moslim-gepeupel. Het
is toen die formele ondergeschiktheid van de niet-moslims
afgeschaft was, dat de jacht op hen pas goed geopend werd.
De islam kan leven met ondergeschikte niet-moslims, maar
niet met gelijkberechtigde niet-moslims. Daarom dat de
etnische en religieuze minderheden er veel beter aan toe
zijn in het theokratische Iran dan in het seculiere Turkije.
Of
Turkse generaals vaak naar de fles grijpen weet ik niet,
maar als behoeders van Atatürks lekenstaat voelen
zij zich allicht niet gebonden door het islamitische alcoholverbod.
In Turkije doet ook de man in de straat op dit gebied
vaak openlijk wat in Saoedi-Arabië alleen (doch veelvuldig)
achter het gordijn gebeurt. In ieder geval staat vast
dat de generaals in de Turkse politiek inderdaad het laatste
woord hebben. Dit punt is politiek niet zonder belang,
nu vanuit één of ander ondemocratisch cenakel
gedecreteerd is dat Turkije lid moet worden van de EU.
Tegen Jörg Haider brengt de EU de Brezjnev-doctrine
in stelling (aldus analyzeren ondermeer Lech Walesa, Vaclav
Havel en prof. Boudewijn Boeckaert het door de EU gehanteerde
principe van "geen soevereiniteit voor wie van de
linksliberale weg afwijkt"), maar een feitelijk generaalsregime
zou de democratische zuiverheid van de EU mogen komen
bezoedelen? Als Turks-Leopoldsburgse moslim zou ik daarop
antwoorden dat er in formeel islamitische republieken
als Iran meer democratie en minder militaire inmenging
is dan in Turkije, en dat juist de islamisten de slachtoffers
zijn van militaire bemoeienissen met de Turkse politiek,
zie bv. het gedwongen aftreden van de democratisch verkozen
islamistische premier Necmettin Erbakan. (En als zegsman
van de EU of van de regering-Slangen/Michel zou ik dààr
dan weer op antwoorden dat zulke afzetting van een niet-linksliberale
regering juist een voorbeeld is van het beleid is dat
ook de EU voortaan tegenover stoute landen en partijen
moet voeren.)
(naschriftJ Voor wie niet
in België was tijdens de eerste paarse regering van
Guy Verhofstadt: Noël Slangen werd door Verhofstadt
ingehuurd als spin doctor of "communicatie-adviseur"
en maakte meteen naam als volmaakte belichaming van het
hoge onechtheidsgehalte van het paarse beleid. Aangezien
de beslissingen van de premier en zijn regering vooral
bepaald werden door overwegingen van public relations
en door vice-premier Louis Michel (de eigenlijke maker
van die regering), was het niet onfair om van een "regering
Slangen-Michel" te spreken.
Niet
dat de democratie in de islamwereld ooit gebloeid heeft,
en voorzover ze er nu in een landje of drie effectief
bestaat, is dat onder Westerse invloed; maar Vermeulens
kritiek op de gebrekkige Turkse democratie is minstens
gedeeltelijk een kritiek op verwestersende seculiere nationalisten
in de Turkse bestuursklasse eerder dan op de islam. Anderzijds
moet men toch de vraag stellen naar het verband tussen
de ideologische conditionering van een volk door de islam
en de aperte afwezigheid of mislukking van de democratie
in tientallen moslimlanden. Waarom werkt het Britse parlementaire
systeem in India en niet in Pakistan? En in de democratieën
die er dan zijn, met name in Bangladesj en Maleisië,
stellen we vast dat het vooral een democratie is voor
de moslims (zoals Zuid-Afrika alleen voor de blanken een
democratie was), terwijl de niet-moslims openlijk of via
de kleine lettertjes uitgesloten worden van echte deelname
aan de macht, en integendeel aan ernstige discriminaties
onderworpen zijn.
Mohammed
zei dat als drie moslims samen reizen, ze er één
van hen tot aanvoerder moeten kiezen om zo tot een militaire
bevelsstruktuur te komen. Goede zielen die in de "islamitische
democratie" geloven, zouden daaruit de erkenning
van democratische verkiezingen kunnen afleiden. Historisch
slaat de weegschaal echter door naar de islamvoorkeur
voor een militaire bevelsstructuur, met bevelen en gehoorzamen
en straffen. In ieder geval is de onaantastbaarheid van
de sjari'a intrinsiek strijdig met het beginsel
dat het volk soeverein zijn eigen wetten bepaalt.
3.5. "Tussen hun benen"
Dat Turkse mannen bij vrouwen vooral belangstelling hebben
voor wat er "tussen hun benen zit", zoals Vermeulen
gezegd zou hebben, is een vermoeden dat in ongeveer dezelfde
mate voor andere volkeren zal gelden. In zoverre was zijn
vermeende uitspraak onterecht eenzijdig. Toch dient hierbij
vermeld te worden dat juist de (vaak als zeer realistisch
geprezen) islamwet ervan uitgaat dat mannen van vrouwen
niets anders willen dan seks, en dat een man die een minuut
met een vrouw alleen is, haar meteen zal bespringen. Vandaar
de talloze regels om de geslachten gescheiden te houden,
vandaar ook dat vele moslim-mannen niet dulden dat hun
vrouw zich door een dokter laat onderzoeken tenzij in
hun eigen bijzijn (zoals ook Vlaamse dokters over Turkse
mannen getuigen). Voorjaar 2000 hield een stedelijke lagere
school in Mechelen een oudercontact dat uitdrukkelijk
alleen voor de moeders bestemd was: Marokkaanse vrouwen
mogen van hun man namelijk niet naar een bijeenkomst waar
ook andere mannen aanwezig zijn.
Het is gewoon een feit dat, waar Turkse en Vlaamse mannen
in dit opzicht van nature weinig verschillen, de islam
wèl enorm verschilt van het christendom en andere
religies. Zo stelt de Koraan het paradijs niet voor als
een staat van Godsaanschouwing of van uitdoving der verlangens,
waar in Jezus' woorden "niet gehuwd en niet ten huwelijk
gegeven wordt", maar wel als een plaats van eindeloze
lust, eeuwen durende orgasmes met talloze maagdelijke
hoeri's, voortdurend van wijn voorzien door mooie knapen.
Geen andere Heilige Schrift vereenzelvigt het paradijs
zo sterk met eindeloos seksueel genot als de Koraan doet.
Dat Mohammed er meer vrouwen op na hield dan Zarathoesjtra,
Mozes, Boeddha, Confucius, Laozi en Jezus tesamen, is
hem gaarne gegund; minder fraai is dat hij als enige godsdienststichter
gijzelneming beoefende en de verkrachting van vrouwelijke
gijzelaars expliciet goedkeurde (waarbij hij soms wel
en soms niet de toepassing van coitus interruptus aanbeval).
Men kan dit vergoelijken als een blijk van de aardse levensechtheid
van de islam in tegenstelling met de vergeestelijkte wereldvreemdheid
van sommige andere religies; feit blijft dat de islam
inderdaad veel meer met zijn gedachten "tussen de
vrouwen hun benen" zit dan in andere religies de
norm is.
Dat Turkse mannen al eens voor een vrouw met elkaar op
de vuist gaan, is natuurlijk niet typisch islamitisch.
Wel diep geworteld in de islam is de schrikbarende regelmaat
waarmee moslimvrouwen het slachtoffer worden van afranseling,
opsluiting en moord wegens vermeende seksuele vergrijpen
(zoals enkele minuten met een andere man alleen zijn).
In de media horen we af en toe iets over geweld, inbegrepen
moord, tegen migrantenmeisjes die het met een Europeaan
aangelegd hebben, maar ook ontluikende relaties binnen
de moslimgemeenschap zijn vaak aanleiding tot zulke misdaden,
typisch gepleegd door de broers van het meisje, soms ook
door haar ouders. Ondermeer de Berbers-Franse zangeres
Djura heeft hierover getuigd, en ook over hoe moslimjongens
van kleins af aangemoedigd worden om hun zussen te slaan.
Men moet de gewelddadige controle over vrouwen niet afdoen
als een typisch heel-Mediterraan gebruik dat men even
goed op Sicilië aantreft (zoals ondermeer prof. Yahya
Michot, prof. Herman De Ley en Lucas Catherine plegen
te doen), er is hier een expliciet islamitische factor
in het spel. Terwijl de zeden van andere Mediterrane volkeren
in mildere zin geëvolueerd zijn, verzet de islam
zich expliciet tegen die evolutie. Toen Mohammed in Medina
hoorde van een geval van overspel binnen de joodse gemeenschap
(vooraleer deze op Mohammeds bevel deels verbannen en
deels uitgemoord werd), eiste hij dat zij de Mozaïsche
wet zou toepassen, namelijk steniging van de twee geliefden.
De joden hadden dat gebruik al een tijdje vervangen door
een publieke vernedering van overspeligen (met teer ingesmeerd
achterwaarts op een ezel door de stad geparadeerd worden),
en zij probeerden Mohammed met Talmoedische spitsvondigheden
wijs te maken dat de nieuwe straf niet strijdig was met
Gods wil. De Profeet liet zich niet vermurwen: de twee
geliefden werden gestenigd tot de dood erop volgde. Soera
4 van de Koraan beveelt mannen ook expliciet om bij ongehoorzaamheid
hun vrouwen te slaan en op te sluiten. In de behandeling
van de vrouw was de islam, ook volgens getuigenissen die
in de basisteksten van de islam zelf doorklinken, onmiskenbaar
een stap achteruit. Lucas Catherine (Islam voor Ongelovigen,
p.203) heeft in tempore non suspecto de Marokkaanse feministe
Fatna Ait Sabbah geciteerd, die zegt dat ze moet kotsen
bij het horen van het nu populaire smoesje dat de islam
de vrouw bevrijd heeft.
Merk overigens op dat de aan Vermeulen toegeschreven uitschuiver
over de bijgedachten van Turkse mannen een hoog Brusselmans-gehalte
heeft. Men herinnert zich hoeveel steun Herman Brusselmans
in november 1999 kreeg toen hij met dergelijke frasen
uit zijn boek Uitgeverij Guggenheimer in opspraak
kwam. Enkele Bekende Vlamingen publiceerden op de opiniebladzijde
van De Standaard zelfs een petitie, die ronkend
besloot met het aan Voltaire toegeschreven woord: "Ik
verafschuw wat u zegt, maar ik zal vechten totterdood
voor uw recht om het te zeggen." Wel, laat eens kijken.
Het lijdt geen twijfel dat trendy BV's de harde waarheden
van Urbain Vermeulen verafschuwen. Zullen zij nu "vechten
totterdood" voor zijn onverkort spreekrecht? Die
grimmige term "totterdood" zullen zij wel aan
de sneuvelende dissidenten in Algerije of Iran overlaten,
want zo'n diep engagement past een gearriveerde BV niet.
Maar een ongevaarlijk woordje van steun moet er bij Kristien
Hemmerechts of Tom Lanoye toch afkunnen?
3.6. Het islam-negationisme
Op 25 april 2000 drukte De Standaard op p.6 een
bericht af over de aanhouding van enkele Iraanse vrijdenkers
wegens "belediging van de islam", en op p.9
een brandschrift tegen prof. Vermeulen wegens hetzelfde
vergrijp, onder de titel "Islamkunde en racisme".
Daarin ziet de Gentse professor Herman De Ley verheugd
het "eventuele vertrek" van Vermeulen tegemoet,
wiens uitspraken "schandelijk", "driest"
en "grofste belediging" heten, en noemt hij
de soldaten van Leopoldsburg terloops ook "janhagel".
Laat eens kijken of hij voor dat onacademische taalgebruik
een blaam zal krijgen.
Nog op p.6 vinden we een foto van Armeniërs die 85
jaar na de feiten de Armeense genocide gedenken. En op
p.9 viert ook prof. De Ley de verjaardag van de Armeense
genocide, namelijk met het instemmend citaat dat het Turkse
beleid in 1915 "betreurenswaardig maar politiek begrijpelijk"
was. Hij ontleent deze beoordeling aan een Amerikaans
auteur, Justin McCarthy, die daarmee heel toevallig een
geschikte wetenschappelijke onderbouwing verschaft aan
het pro-Turkse beleid van de VS-regering. De gewraakte
prof. Vermeulen heb ik alleszins nooit zulke rechtvaardiging
horen uitspreken voor moorden op moslims of op eender
wie. Integendeel, ik kan persoonlijk getuigen dat zijn
aandacht tijdens onze gesprekken over het hindoe-moslim-conflict
juist uitging naar het menselijk leed dat hieruit voortkomt.
Toen ik hem over de rellen na de afbraak van de Babar-moskee
vertelde, pogroms tegen hindoes die door escalatie op
de duur ook tot veel moslimdoden leidden, bestond zijn
repliek uit één woord: "Vreselijk."
De Ley is minder sentimenteel: sommige betreurenswaardige
massamoorden moeten nu eenmaal, en kunnen op zijn politiek
begrip rekenen. Naast het "probleem-Vermeulen"
(aldus Johan Leman in De Standaard, 20-4-2000)
zitten we dus met een probleem-De Ley. Verleggen we de
aandacht daarom van de uitspraken van islamkenner Vermeulen
naar die van islampropagandist De Ley.
Deze herneemt in zijn campagne tegen Vermeulen (die niet
van vorige week dateert, zo zorgde hij in 1999 voor de
disinvitatie van Vermeulen op een congres in Dendermonde
over de Kruistochten) enkele apologetische klassiekers.
Zo zou de Armeense genocide het werk zijn van het jong-Turkse
"nationalisme", de nieuwe boeman voor alle doeleinden.
De daders op het terrein waren nochtans voornamelijk dorpers
die niets wisten van grootsteedse nieuwlichterijen als
het seculier-nationalisme, maar die wel gehoor gaven aan
de oproep van de kalief tot de djihaad tegen de
ongelovigen. Want zoals lezer J. Albes uit Gent opmerkt
(De Morgen, 29-4-2000), was de Armeense volkerenmoord,
net als de Rwandese, evenzeer het werk van het volk als
van de staat. De meeste burger-deelnemers waren Koerden.
Zoals op VRT-Actueel (24-4-2000) gezegd werd: Istamboel
"liet de Koerden op de Armeniërs los".
Wil De Ley ons doen geloven dat die Koerden uit Turks
nationalisme handelden? Ook recente pogroms tegen de laatste
christenen in Oost-Turkije waren religieus gemotiveerd,
zoals vluchtelingen (er zijn er enkele duizenden in België
alleen) mij bevestigd hebben.
Wie een genocide goedpraat moet geen half werk doen: hij
moet de slachtoffers ook de schuld geven. Onder Turken
hoor je de feiten dus vaak gewoon omdraaien: de Armeniërs
hebben een genocide op de Turken gepleegd. Op een moslim-discussielijst
op internet las ik dat de Armeniërs in 1915 maar
liefst 2,5 miljoen Turken omgebracht hebben, en dat Armenië
nu maar eens herstelbetalingen moet gaan doen en grondgebied
afstaan. (Aldus ene Yalin Ekici op soc.culture.lebanon,
8-10-1995, gereproduceerd in het joodse tijdschrift Mentalities/Mentalités,
Hamilton NZ 1997, p.81; noteer daarbij dat etnisch Armenië
in 1915 twee derden van zijn grondgebied verloor, dat
inmiddels door Turken en Koerden bewoond wordt.) De Ley's
variant hierop is dat Balkan-christenen tussen 1821 en
1922 "vijf miljoen" moslims gedood hebben, dit
bovenop de miljoenen die zij verdreven hebben, en de miljoenen
die (blijkens hun strijdbare aanwezigheid in de jongste
conflicten in Bosnië en Kosovo) gewoon ter plaatse
gebleven zijn. Gezien de betrekkelijk beperkte bevolkingscijfers
van de betrokken gemeenschappen op de 19de-eeuwse Balkan
is de aanspraak op vijf miljoen dodelijke slachtoffers
gewoon absurd, maar het is inderdaad waar dat de bevrijding
van de Balkan gepaard ging met repressie tegen de collaborateurs
van de Ottomaanse bezetter. Goede Belgen noemen zulke
repressie doorgaans "betreurenswaardig maar politiek
begrijpelijk". Zij was een reactie op de bloedige
wijze waarop de bezetter het verzet bestreden had, met
vele christen-slachtoffers die De Ley echter niet geteld
heeft. Zij zijn immers maar een detail in de geschiedenis.
Een terloopse doch onthullende zijsprong in De Ley's betoog
is zijn vergelijking tussen moslims in België, die
zich toch niet moeten verantwoorden voor wat moslims elders
in de wereld misdoen, met de "Vlaamse katholieken"
van wie men toch ook niet verwacht dat ze zich voor de
Rwandese genocide verontschuldigen. Voor alle duidelijkheid:
ik geloof niet in collectieve verantwoordelijkheid, en
ik heb mijn moslimburen dus nooit ter verantwoording geroepen
voor de bomaanslagen en gijzelnemingen die regelmatig
het nieuws halen. Maar zelfs als men in collectieve verantwoordelijkheid
gelooft, dan nog kan men de Vlamingen (zonder uitzondering)
niet voor de Rwandese genocide verantwoordelijk stellen.
Wel de Hutu-daders zelf; en in bijkomende orde ook de
Belgische vrijzinnige politici die koning Boudewijns bede
om steun aan het militaire belaagde "katholieke"
regime in Rwanda verwierpen en de Tutsi-invasie middels
het opgedrongen Arusha-akkoord legitimeerden, een akkoord
dat onder de Hutu's paniek veroorzaakte bij het vooruitzicht
om na 35 jaar Hutu-bewind weer onder de Tutsi-knoet terecht
te komen. Want die angst leidde tot de "preventieve"
genocide op de Tutsi's. Toch slaagt De Ley, als lid van
de georganiseerde papenvreterij, er terloops toch even
in om de Vlaamse kaloten valselijk met noch min noch meer
een genocide in verband te brengen. Zijn openheid voor
de islam heeft hem blijkbaar niet tot meer verdraagzaamheid
tegenover het katholicisme gebracht.
3.7. Waarom men de islam wantrouwt
Als Vlamingen de islam wantrouwen, dan ligt dat niet aan
de lezingen van Urbain Vermeulen, wel aan de nieuwsberichten
uit Nigeria, waar regionale moslim-meerderheden de sjari'a
willen invoeren en hardhandig de tegenstand van christenen
en animisten breken; uit Afghanistan waar de Taliban,
de "studenten" die in Koraanscholen grootgebracht
zijn en de islam door en door kennen, dagelijks het "vooroordeel"
bevestigen als zou de islam vrouwonvriendelijk zijn; of
uit de Molukken, waar moslim-inwijkelingen de christelijke
meerderheid tot een minderheid gemaakt hebben en kerken
platbranden. De grootste genocide tijdens mijn leven was
waarschijnlijk die in Oost-Pakistan (1971, officieel 3
miljoen doden), een djihaad die vooral de hindoe-minderheid
viseerde. Het gaat hier om reële gebeurtenissen met
slachtoffers van vlees en bloed, niet om papieren "vooroordelen".
Prof. De Ley houdt die feiten buiten beeld maar erkent
wel in abstracto dat moslims soms iets mispeuteren. Hij
vindt echter dat men er in de beoordeling van religieus
geweld niet de basistekst van de betrokken religie moet
bijsleuren. Een schande vindt hij het dat "gelijk
welk negatief gegeven in een moslimcontext niet verklaard
wordt vanuit maatschappelijke en politieke processen,
maar steeds en overal vanuit 'de islam'". Volgens
hem is "geen enkele openbaringsgodsdienst te herleiden"
tot een "(selectieve) lectuur van eeuwenoude basisteksten".
Hij neemt moslims blijkbaar niet ernstig, want de Koraan
erbij halen, dat doen zij zelf. Hun strijd voorstellen
als gemotiveerd door "de islam", dat doen zij
zelf. Enkele jaren terug simuleerde het Pakistaanse leger
als oefening een oorlog tegen het heidense India, onder
de naam Zarb-e-Momien, "vuistslag van de gelovige".
Moslim-terreurgroepen dragen namen als Hezbollah,
"brigade van God", of Harkat-al-Moedjahedien,
"organisatie van de strijders op de weg van Allah".
Overal waar moslims met niet-moslims slaags zijn, citeren
zij de Koraan en de precedenten van de Profeet. Zo was
de Duivelsverzen-fatwa juridisch gebaseerd op het precedent
van Mohammeds eigen bevel tot de moord op zijn critici.
Kortom, het probleem ligt niet bij de moslims, die mensen
zijn gelijk wij, maar bij de islam. Het probleem is niet
dat er onder moslims, zoals in alle gemeenschappen, boosaardige
mensen zijn; wel dat de islam ook goede en vrome mensen
tot het kwade aanzet. Om ons te beperken tot het jaar
voorafgaand aan het incident-Vermeulen: de pogroms in
Oost-Timor en de Molukken, de vliegtuigkaping in Kathmandoe,
de gijzelneming in de Filippijnen, de uitmoording van
een sikh-dorp in Kasjmir, die zijn niet het gevolg van
de persoonlijke boosaardigheid van de daders, wel van
hun vroomheid en toewijding aan hun godsdienst. Dat is
nu juist het perverse van de Koranische doktrine: goede
mensen beschouwen het als hun religieuze plicht om andersdenkenden
te bestrijden en te onderdrukken, omdat hun heilige schrift
hen daartoe oproept. Oproepen tot haat hebben een effect
vergelijkbaar met dat van alcohol op automobilisten. Sommigen
hebben geen alkohol nodig om een gevaar op de weg te zijn,
anderen geraken zelfs dronken veilig thuis, maar voor
de meesten heeft alcohol een onmiskenbaar negatieve invloed
op het rijgedrag. Welnu, sommigen hebben de Koraan niet
nodig om te haten, anderen weten zelfs de Koraan in menslievende
zin te interpreteren, maar in het algemeen heeft de Koraan
een negatieve impakt op de relaties van gelovigen met
anderen.
De Ley fantaseert over een "typisch islamitisch
religieus pluralisme". Dat religieus pluralisme ook
in de islam erkend wordt, zou al een gewaagde stelling
zijn, maar dat religieus pluralisme typisch islamitisch
is, iets waardoor de islam zich van andere religies onderscheidt,
dat is werkelijk "te gek voor woorden", dat
"raakt kant noch wal". Blijkbaar heeft Adolf
Hitlers opmerking dat mensen liever grote dan kleine leugens
geloven, nog steeds volgelingen. Hoe dan ook, De Ley's
gretige fata morgana weegt niet op tegen de precedentwaarde
van het levenswerk van Mohammed, namelijk de vernietiging
van het religieus pluralisme in Arabië. De heidenen
kregen er de keuze tussen de islam en de dood, christenen
en joden werden verbannen, en in de eerste islamitische
republiek te Medina mocht slechts één religie
voortbestaan.
De profeet lanceerde ook een eerste (mislukte) invasie
in het Byzantijnse rijk, begin van een lange strijd tegen
de christenheid waarin de kruistochten slechts een tijdelijk
tegenoffensief vormden. Prof. Vermeulen had dus gelijk
toen hij tijdens een recente lezing in Ekeren stelde dat
de paus en andere Kerkleiders zich danig vergalopperen
met hun verontschuldigingen voor de kruisvaart. Europa
was op heel zijn zuidelijke flank in het defensief gedrongen
door een agressieve islam, en de kruistochten brachten
de hoognodige verlichting door het front tijdelijk naar
gebieden onder moslimcontrole te verleggen. Er waren natuurlijk
excessen van geweld, zoals die er in de andere richting
bij tijd en wijle ook geweest zijn, maar verontschuldigingen
voor de kruisvaart als militair initiatief zijn klinkklare
onzin, tenzij de moslims zich verontschuldigen voor hun
verovering van Spanje en Byzantium, en bijvoorbeeld ook
voor de wegvoering van miljoenen Zuid- en Oost-Europeanen
naar de slavenmarkten van Tunis en Bagdad.
In de veroverde gebieden werden joden en christenen derderangsburgers
in hun eigen land, zonder politieke rechten, onderworpen
aan een twintigtal vernederende bepalingen en aan een
gedoogbelasting. Bovendien waren zij het mikpunt van pogroms,
zoals de joods-Egyptische historica Bat Ye'or aangetoond
heeft. De Ley's "cijfermatig aantoonbare positieve
effecten op de christelijke populaties" van het "typisch
islamitisch religieus pluralisme" zijn als volgt:
in Syrië, Egypte en Turkije vormden christenen bij
de dood van de Profeet (632) de overgrote meerderheid,
bij het begin van de kruistochten een nipte meerderheid,
in de Ottomaanse tijd een grote minderheid, en vandaag
een kleine minderheid.
Wellicht verwijst De Ley naar enkele zeer tijdelijke en
plaatstelijke gevallen van groei in het christelijk bevolkingspercentage,
die echter als volgt verklaard moeten worden. De gedoogbelasting
en de talloze maatschappelijke nadelen van het niet-moslim-zijn
moedigden aan tot bekering tot de islam. Alleen de begoede
klasse kon de belasting opbrengen zonder zichzelf teveel
pijn te moeten doen, en kon zich ook een zekere veiligheid
kopen via goede zakenrelaties met de heersers en steekpenningen
aan de politie en aan moslimleiders. In streken onder
moslimbewind zie je daarom na verloop van tijd dat, behalve
in geïsoleerde gebieden, bijna alle overblijvende
niet-moslims tot de begoede klasse behoren, bv. de Kopten
in Egypte of, tot hun uitdrijving in 1990, de hindoe Pandits
in Kasjmir. Bij welgestelden lag de kindersterfte lager,
wat in vreedzame periodes zonder uitdrijvingen of gedwongen
bekeringen inderdaad tot een tijdelijke procentuele groei
kon leiden. Om dezelfde reden kenden zogenaamd sterk antisemitische
Europese regio's als Polen en Oekraïne een bijna
continuë stijging van het percentage joden, wat voor
prof. De Ley beslist geen reden is om het antisemitisme
als een fabeltje weg te wuiven. Zijn bewering doet niets
af aan het discriminerende karakter van het moslimbewind
noch aan de algemene tendens tot verdwijning van de andere
religies onder moslimbestuur.
Overigens werden niet-Abrahamische religies als mazdeïsme
en boeddhisme in Centraal-Azië nog veel sneller gemarginaliseerd
of uitgeroeid dan het christendom in het Midden-Oosten.
Het lot van de echte "heidenen" wordt altijd
buiten beeld gehouden in debatten over "islam en
verdraagzaamheid", waarbij de aandacht steeds naar
de minder hard getroffen christenen en joden gaat. De
Ley heeft vanuit het seculiere België mooi praten
over het "typisch islamitisch religieus pluralisme":
de talloze niet- of ex-moslims uit Iran, Pakistan en Bangladesj
die ik gesproken heb, zeggen nooit iets gezien te hebben
van dat wereldwonder.
3.8. Islam en Verlichting
Naast het hoofdartikel (De Morgen, 19-4-2000) waarin Yves
Desmet, ayatollah van het multicultureel linksliberalisme,
zijn fatwa tegen prof. Urbain Vermeulen uitsprak, stond
in de citatenkolom een opmerking van kamervoorzitter Herman
Decroo over de islam. Deze olijke vrijzinnige vindt het
een anomalie dat nu de mensen niet meer ter kerke gaan,
ze desondanks toch nog weinig begrip voor de islam kunnen
opbrengen. Volgens hem getuigt dit van een achterlijke
angst voor het vreemde. Blijkbaar willen sommigen maar
niet begrijpen dat de islam (net zoals de katholicisme
voor vrijzinnigen als De Croo) een heel ander probleem
stelt dan een van "vreemdheid".
Het Tibetaans boeddhisme is heel wat exotischer dan de
islam, en toch wekt de inplanting van een Tibetaans-boeddhistisch
centrum in Schoten of Hoei geen wrevel of angst bij de
plaatselijke bevolking, die hierin nu eens wèl
een geval van "multiculturele verrijking" ziet.
Uit de culinaire gewenning van onze bevolking aan diverse
uitheemse keukens, uit de verkoopscijfers van schrijfsters
als Lulu Wang of Arundhati Roy, of uit het orderboek van
onze reisagentschappen, blijkt allerminst een angst voor
het vreemde. De Croo vergist zich door "het vreemde"
als het probleem aan te wijzen. Merkwaardig genoeg deelt
hij die misvatting met Frank van Hecke, die in zijn eerste
interview als VB-voorzitter (Gazet van Antwerpen,
12-6-1996) verklaarde dat hij niets tegen de islam had,
en dat hij de inwijking van 600.000 boeddhisten in plaats
van moslims even erg zou vinden.
Nee Herman, nee Frank, de islam is grondig verschillend
van andere "vreemde" tradities. Het verschil
zit hem in de in de Koraan vastgelegde oproep tot strijd
tegen de niet-moslims, die dan weer samenhangt met het
politieke en totalitaire karakter van de islam: het doel
van de islam in elk land is altijd om een staat te stichten
waarin de islam domineert en de sjari'a het handelen van
de burgers op alle levensdomeinen bepaalt. Het boeddhisme
kon zich overal aan de bestaande orde aanpassen, van Indiase
kastesamenleving over confuciaanse bureaucratie en Japans
militair feodalisme tot Californisch ecolo-kapitalisme.
Het bemoeide zich zo min mogelijk met politiek en samenleving
en legde zich uitsluitend toe op zijn spirituele missie.
De islam daarentegen zal niet rusten vooraleer hij in
zijn expansiegebieden, waaronder nu vooral Europa, de
staat geïslamiseerd heeft. En daarover zou een politiek
leider als De Croo zich beter dringend bezinnen, in plaats
van de bevolking wijs te maken dat het maar om een soort
exotische nieuwe mode gaat.
Dat Westerse islam-apologeten de Koraan zo ver mogelijk
buiten beeld willen houden, is geen toeval. De hele doktrine
van superioriteit van de moslims en van haat jegens de
niet-moslims wordt daarin breedvoerig uiteengezet. Dat
je je vrouw(en) mag en soms moet slaan, dat je de afvallige
moet doden, dat vriendschap met ongelovigen te mijden
is, dat pas de volledige islamisering van de wereld een
einde zal maken aan de vijandschap tussen moslims en niet-moslims:
het staat er allemaal in. Wat er gelukkig ook en zelfs
vrij expliciet instaat, is dat er wat scheelde met de
Profeet zelf. Dr. Herman Somers heeft in zijn boek Een
Andere Mohammed uitvoerig aangetoond dat Mohammed
een schoolvoorbeeld was van het bekende syndroom paranoia,
een door hallucinaties gevoede waan omtrent zichzelf.
In dit geval ging het om een uitverkiezingswaan, en de
sensoriële hallucinaties waren de stemmen die hij
in trance-toestand hoorde, en wier "openbaringen"
opgetekend zijn en gebundeld tot de Koraan. Nee, dit is
geen Westers vooroordeel, want een gelijkaardige analyse
van de Koranische openbaring vinden we bij geboren moslims,
ondermeer de Egyptenaar Abdullah Kamal (aldus De Standaard
15-7-1996) en de Pakistani's Anwar Shaikh en Ibn Warraq.
En nee, dit is geen onverantwoorde projectie van moderne
categorieën op iemand uit de oudheid, want Mohammeds
tijdgenoten vonden ook al dat die "openbaringen"
maar zelfbegoocheling waren: niet minder dan elf keer
spreekt de Koraan (d.i. Mohammed zelf) Mohammed moed in
omdat zijn toehoorders hem een gestoorde of een fantast
noemen. In de Hadieth vinden we nog meer getuigenissen
dat zijn tijdgenoten het maar doorgestoken kaart vonden,
en zelfs zijn lievelingsvrouw Aisja vond het vreemd dat
die openbaringen toch altijd zo buitengewoon goed in Mohammeds
persoonlijke kraam pasten.
De polemiek waarin prof. Vermeulen verwikkeld is geraakt,
betreft dus niet de kern van het probleem, en ik zal me
over die kern radicaler uitspreken dan hij ooit gedaan
heeft. Of de islam nu wel of niet fanatiek is, of hij
nu onrecht doet aan de vrouw of niet, dat zijn legitieme
maar uiteindelijk secundaire kwesties. Belangrijker is
dat de islam gewoon een vergissing is. Weliswaar heeft
de islam een aantal bestaande kultuurwaarden overgenomen
die soms verkieslijk lijken boven de morele chaos van
het postmoderne Westen, getuige de rol van de islam in
de door drugs en misdaad geteisterde Amerikaanse negerwijken;
maar de definiërende waarheidsaanspraak van de islam
("Mohammed is Zijn profeet") is gewoon onjuist.
Als een vriend van me zou blijken te geloven dat de aarde
plat is, of dat de kindertjes uit de bloemkool komen,
dan zou ik het als mijn plicht beschouwen, hem dat uit
zijn hoofd te praten. En als onze medelanders met namen
als Ali en Fatima nog in het sprookje van de Koraan-openbaring
geloven, dan is het ons aller plicht om hen de weg uit
die dwaling te wijzen. Ik weet nog hoe ik als zesjarige
in de zandbak zat te spelen toen mijn zus mij de ware
toedracht over Sinterklaas vertelde. Telkens ik moslims
hoor fulmineren tegen de zoveelste "belediging van
de islam" zie ik mezelf weer met rasse schreden naar
de keuken stappen om moeder verontwaardigd te vertellen
wat mijn zus had durven beweren. Ach, er is nog leven
na het verlies van je geloof in sprookjes.
De oplossing is niet, moslims het land uit te wijzen,
wel de moslimjeugd hier en ginds maximaal blootstellen
aan de impact van de Verlichting en met name aan de resultaten
van het wetenschappelijk onderzoek aangaande religie.
En men moet dat niet met "westerse cultuur"
vereenzelvigen: haal er liever de talloze stemmen van
vrijdenkers uit de islamwereld bij, van de Bengaalse feministe
Taslima Nasrin ("het probleem is dat de islam onverdraagzaam
is"), van de vermoorde Berber-zanger Lounès
Matoub ("ni Arabe ni Musulman"), of van
de Turkse auteur Aziz Nesin, die gezegd heeft: "Er
moet een einde komen aan de duizendjarige tirannie van
de Koraan." Er is niets intrinsiek moslim aan Marokkanen
of Turken, en als er iets hun integratie kan bevorderen,
dan is het wel hun eigen traditie van dissidentie tegen
de islam.
3.9. Islam en racisme
Wie de islam ter discussie stelt, mag zich doorgaans aan
het etiket "racist" verwachten, hoewel niet
meteen duidelijk is wat het rasbegrip hiermee te maken
heeft. Terwijl men biologen op ons afstuurt om ons te
bezweren dat "rassen niet bestaan" (bv. doordat,
naar verluidt, Zweden en Bosjesmannen qua vingerafdruk-patronen
meer op elkaar lijken dan op hun respectieve gelijkgekleurde
buurvolkeren), blijkt het feitelijk semantisch domein
van de term "ras" steeds breder te worden. Wanneer
het Vlaams Blok op het 1-meifeest 2000 scandeerde "islamieten,
parasieten", dan omschreef de VRT-nieuwsdienst deze
inderdaad kwalijke slogan als "racistisch",
implicerend dat de islamieten een ras vormen. Toen diezelfde
partij zich recent bekeerde tot het beginsel dat immigranten
zich mogen assimileren als alternatief voor "opkrassen",
op papier toch een reuzenstap wèg van het racisme
(want geassimileerde vreemdelingen zullen op termijn hun
zaadjes en eitjes in de Vlaamse genenpoel uitstrooien),
noteerde De Standaard dat Filip Dewinter tijdens
de persvoorstelling scherp uitviel naar de islam, de belangrijkste
verzetshaard tégen de assimilatie; en zonder enige
remming door de logica noemde de kwaliteitskrant deze
uitval "racistisch".
Voluit: als Dewinter het fundamentalisme veralgemeent,
als hij "zegt dat alle islamieten zo denken en daarom
een aparte aanpak verdienen, is hij volop bezig te discrimineren
op basis van godsdienst. Dan is Dewinter, in alle definities
van die term, een racist." (Rolf Falter: "Optrekken
en remmen in Schiltz-chicane", DS, 2-4-2000) Wie
zo pedant is om er definities bij te halen, kan echter
gemakkelijk verifiëren dat "racisme" discriminatie
op basis van "ras" betreft, niet van "godsdienst".
Mocht dit laatste toch onder het racismebegrip vallen,
dan is de islam zelf intrinsiek een door en door racistische
godsdienst, want discriminatie op basis van wel of niet
moslim zijn is voor de Koraan een must hier op aarde maar
ook een onvermijdelijk lot in het hiernamaals, waar men
voor geen ander vergrijp dan het ongeloof aan Mohammeds
aanspraken ten eeuwigen dage in de hel zal branden. In
geen enkele andere religie staat discriminatie op basis
van godsdienst, dus wat Rolf Falter "racisme"
noemt, centraler dan in de islam.
Toen de bruine Pakistaanse immigrant Mohamed Rasoel in
zijn boekje De Ondergang van Nederland tegen de
islam waarschuwde, werd hij daarvoor door een blanke Amsterdamse
rechter in 1992 veroordeeld wegens -- wat anders? -- "racisme".
Een kleurling die zijn ouderlijke religie aanvalt en daarvoor
als "racist" veroordeeld wordt: het is, om Yves
Desmets terminologie te lenen, "te gek voor woorden".
Maar waarom heeft De Morgen dan nooit geprotesteerd tegen
deze onrechtvaardige veroordeling van een gekleurde medemens?
Uit de jongste polemiek rond professor Vermeulen blijkt
alleszins dat er een "Turks ras" en een "moslim-ras"
bestaan. Dat wordt namelijk geïmpliceerd in het afdoen
van kritiek op Turken of op de islam als "racisme".
En dit taalgebruik beperkt zich niet tot betaalde agitatoren
maar vindt ook ingang onder historici en parlementsleden.
Kamerlid Ferdy Willems van de Volksunie is historicus
en mag geacht worden te weten wat hij zegt, ook als hij
zegt: "Vermeulen is een racist die zijn carrière
gebouwd heeft op iets wat hij haat." (bij Frank Willemse:
"'Professor Vermeulen is een racist'", Het
Laatste Nieuws, 21-4-2000)
De islam is natuurlijk geen ras, maar heeft toch wel iets
met racisme te maken. De historici Bernard Lewis en David
Brion Davis hebben aangetoond dat het anti-zwarte vooroordeel
ontstaan is in de context van de Arabische negerslavernij.
Deze floreerde al acht eeuwen vooraleer de Portugezen
in de 15de eeuw partners werden in de Arabische slavenhandel
en het anti-zwarte racisme gaandeweg overnamen. Moslims
mochten heidenen als slaaf nemen, ondermeer miljoenen
Zuid- en Oost-Europeanen (voor wanneer hiervoor een collectieve
schuldbekentenis vanwege de moefti's en imams?) en vooral
Afrikaanse animisten. De minachting voor het ongeloof
werd overgedragen op de huidskleur van de ongelovigen,
zodat zwarten die zich uit lijfsbehoud tot de islam bekeerden,
spoedig ondervonden dat hun huidskleur er met een bekeringsformule
niet afging, en zij gewoon slaaf bleven. Ongelovigen heten
in het Arabisch kafiroen, "ondankbaren",
vandaar Afrikaans kaffers voor de negerslaven die
de Hollanders rond de Indische Oceaan van de Arabieren
kochten. Moslim-slavenhouders plaatsten zwarten systematisch
lager in de slavenhiërarchie dan de blanke slaven,
zoals nog te zien is op de typische afbeeldingen van blanke
haremvrouwen die door zwarte meiden verzorgd worden. De
Koraan (3:106/102) stelt dat op de dag des oordeels de
bozen zwart zullen worden en de gelovigen blank, wat toch
wel een ongelijk waardeoordeel over die huidskleuren inhoudt.
Ook bij prof. Herman De Ley ("Islamkunde en racisme",
De Standaard, 25-4-2000) vinden we natuurlijk de
vereenzelviging van islamkritiek met racisme. Inzoverre
racisme als een vreselijke misdaad geldt, is dit vreselijke
laster. De Ley schijnt niet te beseffen dat de felste
islamkritiek van niet-Europeanen komt, van rasgenoten
van de Profeet, of van nog donkerder medemensen als de
Malinese schrijfster Maryse Condé, die in haar
bekende historische roman Ségou schrijft: "De
islam is een mes dat tweedracht zaait, dat wonden slaat
waarvan we niet meer genezen." Islamkritiek is bruin
en zwart, niet qua politieke maar qua huidskleur.
Neem nu de beoordeling van Mohammeds profeetschap. In
de Koraan spreekt Mohammed zich moed in tegen de kritiek
van mede-Arabieren dat hij met zijn "goddelijke openbaringen"
een gestoorde fantast is, een door geesten bezetene. Dat
de islam een vergissing is, de uit de hand gelopen egotrip
van een stemmenhoorder met uitverkiezingswaan, wordt vandaag
niet alleen beweerd door de Vlaamse psycholoog Herman
Somers of de pro-Palestijnse joodse auteur Maxime Rodinson,
maar ook door kleurlingen als de hindoes Ram Swarup en
Sita Ram Goël, en door geboren moslims, ondermeer
-- op luchtige wijze -- door de migrant Salman Rushdie
in zijn gewraakte boek De Duivelsverzen. Men hoort
het wel niet meer uit de mond van de Arabische dichter
Sadeq Abdel-Karim Melallah, want die is daarvoor in 1992
onthoofd. Misschien een tip voor een doortastende beteugeling
van foute gedachten bij ons?
Melallah was maar één van de honderden vrijdenkers
in de islamwereld die de laatste tien jaar gedood zijn.
In een lezing tijdens de Rushdie-krisis heb ik professor
Vermeulen aan zijn publiek horen vragen: zal onze jeugd
nog willen opkomen voor de vrije meningsuiting waar vorige
generaties zo hard voor hebben moeten vechten? Bij ons
is het antwoord daarop hoogst onzeker, maar in moslimlanden
zijn er talloze Voltaires die letterlijk hun leven wagen
voor het vrije woord. Het zijn die dissidenten in de islamwereld
zelf, frontstrijders voor de vrijheid, die nu door De
Ley in de rug geschoten worden.
3.10. "Cultureel racisme"
Sommige academici die zich toch wat gegeneerd voelen over
de onverantwoorde verbreding van het begrip "racisme"
(bv. Pierre-André Taguieff), hebben als oplossing
het begrip "cultureel racisme" gelanceerd. Dit
is een contradictio in terminis, en meestal dient
het maar als een soort valsemunterstruuk om standpunten
die uitdrukkelijk niet racistisch zijn, lekker toch racistisch
te kunnen noemen. Dat voorvoegsel "cultureel"
wordt immers snel genoeg vergeten, en een vernietigend
machtswoord als "racist", daarvan doe je niet
graag afstand.
Edoch, er is één geval waarin dit begrip
wel zinvol kan zijn, namelijk als men iemands cultuur
als een ingeboren en onveranderlijk gegeven behandelt,
net zo wezenseigen als zijn huidskleur. Dit soort "cultureel
racisme" vindt men impliciet zeker in de wildere
redevoeringen van de jonge Filip Dewinter (d.i. vooraleer
hij de optie van assimilatie aanvaardde), maar zijn natuurlijke
biotoop is het multicultureel discours. Het zijn juist
de pleitbezorgers van de islam in Europa die doen alsof
de islam een onvervreemdbare kentrek van onze Ali's en
Fatima's is, die wij dus maar te aanvaarden hebben. In
werkelijkheid gaat het om een ideologische conditionering
die zij aangepraat krijgen, en waarvan zij zich ook weer
kunnen bevrijden. En vooral: waarvan zij zich wel zullen
moeten bevrijden als zij zich echt in onze samenleving
willen integreren. Moeten, niet omdat wij dat zeggen,
maar omdat er nu eenmaal een logische onverenigbaarheid
bestaat tussen integratie en islam.
Het is uiteraard niet de taak van de overheid om aan religieuze
of anti-religieuze propaganda te doen, dat zou te zeer
aan Sovjet-methodes herinneren, maar in de samenleving
zelf moeten opinieleiders een krachtige culturele beweging
op gang brengen die moslimjongeren aanmoedigt om zich
uit het keurslijf van de islam te bevrijden. De overheid
kan helpen om de juiste voorwaarden daartoe te scheppen
door een consequent beleid van het type dat men in Frankrijk
républicain noemt (huidige boegbeelden:
de linkse socialisten Jean-Pierre Chevènement en
Régis Debray): het straal negeren van groepsidentiteiten
ten voordele van integratie via een seculier staatsburgerschap.
Dit betekent dus: geen multicultuur of "integratie
met behoud van eigen identiteit", maar assimilatie.
Uiteraard staat het de betrokkenen dan nog steeds vrij
om djellaba's te dragen of naar de moskee te gaan (ook
geboortige Belgen hebben die vrijheid), maar van enige
toegeving aan een moslim-groepsidentiteit met aparte rechten
kan geen sprake zijn. Wie daar niet mee kan leven, heeft
natuurlijk de vrijheid om elders zijn geluk te zoeken.
Is de rol van de overheid beperkt, die van opiniemakers
in onderwijs en media is des te groter. Toen ik in mei
1992 in Trends berichtte over de aktiviteiten en
standpunten van de Turks-islamistische beweging Milli
Görüs ("Zienswijze van de moslimnatie"),
leverde mij dat vooral kritiek op, van het type dat De
Ley nu over Vermeulen uitstort. Enkele maanden later was
er op de Duitse TV een reportage van een Duits-Turkse
journalist over het zelfde onderwerp, en van dezelfde
waarschuwende strekking. Ik gun het die man gerust dat
hij zulke kritiek blijkbaar wèl mag uiten zonder
banvloeken over zich af te roepen. Het enige dat me eraan
stoorde, is dat zijn uitzending niet méér
weerklank gekregen heeft. Waarom niet méér
aandacht voor de islamkritische strekking in de Turkse
gemeenschap? Waarom niets over de onthoofde Melallah,
waarom zo weinig over het werk van de tientallen intellectuelen
die in Algerije vermoord zijn? Dit soort media-aandacht
is zeer belangrijk in de natuurlijke selectie van rolmodellen
voor de migrantenjeugd, die nu door vriend en vijand op
haar vermeende moslim-identiteit vastgepind wordt. Ik
herhaal het: er is een krachtige culturele beweging nodig
die de migrantenjongeren helpt om een post-islamitische
identiteit te ontwikkelen.
Het alternatief, op termijn, is wat we recent op de Molukken
gezien hebben: rivers of blood. In het minst gewelddadige
geval stevenen we af op wat een militant van de Turks-islamistische
Milli Görüs mij ooit voorspelde: niks
geen geweld, op zekere dag worden de moslims wakker en
stellen ze vast dat ze de meerderheid vormen, en dan kondigen
ze langs democratische weg de islamitische republiek af.
Het is echter weinig waarschijnlijk dat de moslimvoorhoede
zo lang geduld zal oefenen, dus gedurfder machtsgrepen
behoren tot de mogelijkheden, gevolgd door reactie van
de inheemsen, algemene polarisatie die vele geseculariseerde
moslims terug het islamkamp indrijft, en burgeroorlog.
Er is een wedloop aan de gang tussen de numerieke groei
van de islam, die schijnbaar recht naar de wereldheerschappij
voert, en het binnendringen van de Verlichting in de islamwereld.
Het is wiskundig zeker dat de islam uiteindelijk het onderspit
zal delven (volgens mij verdwijnt hij binnen de eeuw),
maar voor het zover is kunnen we nog enkele onaangename
rondjes djihaad meemaken, dichter bij huis dan we gewend
zijn.
3.11. Racisme en laster
Op het juridische vlak kan men inmiddels stellen dat professor
De Ley en kamerlid Willems zich met hun beschuldiging
van "racisme" tegen professor Vermeulen zelf
aan laster en eerroof schuldig gemaakt hebben. De zaak
met beschuldigingen ligt eigenlijk eenvoudig: wie een
ander van iets beschuldigt, is ipso facto zelf
schuldig aan laster, tenzij hij zijn aanklacht met bewijzen
hard kan maken. Dat geldt des te meer wanneer men iemand
van een door de wet strafbaar gesteld feit beschuldigt.
Wie iemand anders een "moordenaar" noemt, kan
daarvoor zelf vervolgd worden, tenzij de beschuldigde
inderdaad door een bevoegde rechtbank wegens moord veroordeeld
wordt. Welnu, net als moord is "racisme" een
door de wet strafbaar gesteld vergrijp; iemand valselijk
van zulk vergrijp beschuldigen, is daarom zelf ook strafbaar.
De Ley en Willems moeten nu niet afkomen met de elders
misschien verdedigbare uitleg dat "racisme"
maar een appreciatie is, beschermd door de vrije meningsuiting.
Je kan niet de twee hebben, enerzijds racisme strafbaar
stellen en anderzijds het recht behouden om iemand zomaar
eventjes racist te noemen. Zij die racisme in het strafrecht
wilden, zitten nu met het gevolg dat men het woord "racisme"
niet meer zo licht in de mond mag nemen. Eigenlijk is
er nood aan een rechtszaak die deze beperking op het loze
gebruik van het scheldwoord "racist" expliciet
bekrachtigt. Al wens ik het niemand toe om de ster van
zulk een pionierend rechtsgeding te zijn, want degene
die de officiële meute haar geliefkoosde verbale
terreurwapen uit de handen komt slaan, moet vanwege media
en overheid niet op enige fair-play rekenen.
Eén van de nuttige effecten van zulke rechtszaak
zou erin bestaan dat er eindelijk klaarheid komt omtrent
de bevoegdheidsafbakening van Johan Lemans Centrum voor
Gelijke Kansen en Racismebestrijding. Recent bleek dat
de post kan weigeren om "racistische" politieke
propaganda te verdelen, waarbij de beoordeling over het
"racistische" karakter van de betrokken teksten
aan Lemans Centrum overgelaten wordt. Daar klopt iets
niet. Men kan iemand wegens een strafbaar feit wel voor
de rechtbank dagen (desnoods in kortgeding), maar geen
openbare beslissingen baseren op de loutere verdenking
van zulk feit. Men kan een kandidaat-onderwijzer maar
weigeren wegens pedofilie als hij door een rechter wegens
pedofiele feiten veroordeeld is; en is dit laatste niet
het geval, dan kan de om die reden geweigerde sollicitant
op zijn beurt de betrokken schooldirectie dagvaarden.
Het CGKR heeft de bevoegdheid om vermeende racisten te
dagvaarden, niet om hen te veroordelen, noch om langs
niet-gerechtelijke weg burgers te benadelen die nooit
wegens racisme veroordeeld zijn.
Hetzelfde probleem stelt zich in de kwestie-Vermeulen.
Uit Johan Lemans verklaringen (VRT-Radio 1 en De Standaard,
20-4-2000) kan men min of meer afleiden dat Leman zelf
al informele stappen ondernomen had om Vermeulens actieradius
te beperken, ondermeer via de Gentse en Leuvense rectoren,
en dat hij nu op resultaten hoopte. Het was maar een interview,
geen beleidsverklaring, dus misschien is er een onjuiste
indruk gewekt, maar ambtenaar Leman zou er goed aan doen
om hierover klare wijn te schenken. In ieder geval gaat
hij zelfs met de loutere uitdrukking "het probleem-Vermeulen"
(DS 20-4-2000) al zijn boekje te buiten. Ofwel is Vermeulen
schuldig aan "racisme", maar Leman ontkent dat,
want hij behoort nog tot de oude school die vindt dat
disputen over taal of religie niet onder de hoofding "racisme"
thuishoren (anders zouden de Belgische communautaire en
levensbeschouwelijke tegenstellingen onder zijn bevoegdheid
vallen, stel je voor). Ofwel -- en dat geeft Leman dus
impliciet toe -- is Vermeulen niet schuldig aan racisme,
en dan heeft Leman volstrekt geen enkele bevoegdheid inzake
zijn doen en laten, zelfs niet om hem als een "probleem"
te brandmerken.
Overigens heb ik Leman op debatten al meermalen horen
verklaren dat de racismewet géén "opiniedelict"
invoert, dat hij alleen effectieve aansporing tot discriminatie
en geen racistische meningen bestraft. Zo zou het boek
The Bell Curve van Richard Herrnstein en Charles
Murray, dat rasbepaalde erfelijke verschillen in intelligentie
poneert, niet verboden kunnen worden. Lemans stellingname
tegen Vermeulen doet daar toch aan twijfelen: heeft Vermeulen,
zelfs in de versie van zijn aanklagers, ook maar één
daad van discriminatie gesteld, of zelfs maar één
oproep daartoe gelanceerd? De hele rel betreft toch ondubbelzinnig
de mening van de professor? Waar haalt ambtenaar Leman
het recht vandaan om die mening als een "probleem"
voor te stellen? Politici die zich op hun "democratisch"
gehalte laten voorstaan, moeten beter vandaag dan morgen
het afglijden naar de aanvaarding van de notie "opiniedelict"
een halt toeroepen. Het is voor de democratie van levensbelang
om de galopperende ambities van onze racismebestrijders
in te tomen.
3.12. De strijd gaat voort
De deontologische uitschuiver van Leman tegenover Vermeulen
is wellicht maar een voorbode van ernstiger campagnes
tegen foute meningen. Zoals de aanwezigen op het debat
tussen Leman en mijzelf (Vlaams-Nationale Debatklub, 30-5-2000)
hebben kunnen vaststellen, is de dominicaan als persoon
zeker nog de kwaadste niet; maar de structuren die hij
voorzit lenen zich tot een veel verder gaande repressie
tegen foute meningen. Vanuit bepaalde partijpolitieke
hoeken wordt inderdaad om een "actiever" anti-racismebeleid
geroepen, en men kan zich voorstellen dat Lemans opvolger
aan die wensen zal voldoen. Zo besluit prof. De Ley zijn
aanval op prof. Vermeulen met de schijnbaar bezadigde
waarschuwing dat we ons niet "hypocriet" op
de zondaar Vermeulen moeten blindstaren: het racisme is
immers véél groter en alomtegenwoordiger.
Na de verhoopte eliminatie van de Leuvense prof gaat de
strijd dus verder tegen het racisme in allerlei lagen
van de samenleving. Veel méér mensen moeten
aan de schandpaal of op de sofa wegens hun openlijk of
verdoken racisme. Zelfs bij goedbedoelende activisten
voor de integratie van migranten is er racisme dat onze
niets ontziende aandacht verdient, aldus De Ley. De categorie
"racisten" groeit voortdurend aan, en dit hoogtij
spaart zelfs pater Leman niet.
De Ley wordt in zijn waarschuwing tegen het alomtegenwoordig
racisme namelijk bijgetreden door enkele moslim-gastcolumnisten
van De Morgen. Na enkele extreem-linkse academici
is het nu de beurt aan deze direct betrokkenen bij de
integratieproblematiek om Leman als racist af te doen.
De hele integratiesector mag volgens Tarik Fraihi ("Het
failliet van de integratie-industrie", DM 8-5-2000)
best met de VB-term "welzijnsmaffia" omschreven
worden: mensen die teren op het "migrantenprobleem".
Het hele integratieconcept zit er voor hem naast: verkapte
assimilatie, paternalistisch, "folklorefestivalmodel".
Bijgevolg zouden "de bedenkers van het huidige concept,
zoals Johan Leman, best de eer aan zichzelf houden en
ontslag nemen".
Sterker nog drukt Mohamed Talhaoui zich uit ("Naar
een actieve migrantenbewustwording", DM, 25-4-2000).
Hij veegt de vloer aan met "de democratische schijn
van de traditionele partijen" en pleit voor een radicaal
verbod op organisaties die zich "racistisch, xenofoob
of intolerant" opstellen tegenover de moslims of
andere minderheden. Enkele zinnen verder leren we wie
allemaal tot de gewraakte categorie behoort: "Het
integratieconcept zoals dat tot op de dag van vandaag
door de overheid gedefinieerd en ontwikkeld werd en dat
in feite neerkomt op assimilatie, is mensonterend, racistisch
xenofoob en onderdrukkend, en dient van de hand gewezen
te worden." Als de overheid racistisch is, moet ook
zij in de ban, en alvast moet Lemans Centrum omgevormd
worden tot "een federale instelling die zich met
niets anders bezighoudt dan met racismebestrijding"
en die "geleid moet worden door een migrant(e)".
Alvast één post die op zuiver etnische basis
ingevuld moet worden: volgens de letter van de racismewet
is dat racisme. In ieder geval wil Talhaoui de crypto-assimilationist
en verkapte racist Johan Leman weg: "De bewustwording
van de migrantengemeenschap omtrent dat thema wordt realiteit
met de ontslageis van Johan Leman, die de islamitische
gemeenschap al jaren met een kluitje in het riet stuurt."
Voilà, daar heb je het uit de mond van een onverdachte
moslim: Dewinter-Leman, zelfde strijd!
Vanop grote afstand bekeken worden tegenstellingen kleiner.
De tegenpolen Leman en Dewinter groeien naar mekaar toe
naarmate men zich op een extremer standpunt stelt, tot
men ze ziet samenvallen in hun gemeenschappelijke premisse,
namelijk het behoud van onze seculiere rechtsstaat, waarin
alle burgers gewoon gelijk zijn voor de wet. Vanuit een
hard islamitisch standpunt is dat een duivelse eensgezindheid
die alle disputen over migratiebeleid tot onbelangrijke
details herleidt. Gelijkheid voor de wet, met name voor
een door de mensen gemaakte wet, is voor echte moslims
immers onaanvaardbaar. Zij interpreteren het begrip "multicultureel"
niet als eufemisme voor "multiraciaal", maar
in zijn letterlijke betekenis, namelijk als de coëxistentie
van verschillende culturen, d.w.z. gemeenschappen met
een eigen taal en een eigen rechtssysteem. Want cultuur
is niet alleen koeskoes en djellaba's en "folklore",
het is ook een maatschappij-ordening en, om maar iets
Belgisch-gevoelig te noemen, ook een taalgemeenschap.
Het echte alternatief voor de visie-Dewinter-Leman is
een staat waarin die gelijkheid voor de wet vervangen
is door een multiculturele maatschappij-ordening, waarin
de moslims echt hun identiteit en dus hun taal en rechtsstelsel
behouden.
Zulke pleidooien pro balkanisering van onze samenleving
leven dus in de moslimgemeenschap in ons land. Men moet
ze niet eens in Arabische pamfletjes uit moslimboekhandels
op de Lemonnierlaan zoeken, men vindt ze openlijk op de
opiniebladzijde van De Morgen. Ze tooien zich in
nieuwe kleedjes als anti-racisme en multicultuur maar
blijken bij nader toezien weinig te verschillen van de
strategie die de asielzoekende migrant (mohadjier)
Mohammed gebruikte om Medina van een vrije en gastvrije
stad in een islamitische republiek te veranderen. En dan
zouden deskundigen als professor Vermeulen de aandacht
niet mogen vestigen op het probleem dat de islam stelt?
3.13. De afloop
Hoewel rector Oosterlinck had aangekondigd om binnen enkele
weken uitspraak te doen, duurde het tot 30 september 2000
vooraleer officieel bekend werd dat professor Vermeulen
een "terechtwijzing" of blaam kreeg, de lichtste
straf maar toch een straf. De rector had al duidelijk
gemaakt dat hij de relaties met Turkije in geen geval
verstoord wou zien om het prestigeprojekt van de KUL-archeologen
in Sagalassos niet in gevaar te brengen (Veto 2-5
en 16-5-2000). Het lag dus in de lijn der verwachtingen
dat hij Vermeulen een blaam zou geven: een sanctie om
De Morgen en de Turken tevreden te stellen, maar
ook de lichtste sanctie om het incident niet verder te
doen escaleren.
Weinigen hadden verwacht dat het tot een schorsing zou
komen, want dat zou tot verdere polemieken en wellicht
tot een dispuut voor de arbeidsrechtbank geleid hebben.
Zoals iedereen weet zijn katholieke schooldirecteurs uiterst
beducht voor controverse; daarom dus geen schorsing. Uit
bezorgdheid om de goede naam van hun school plooien zij
zich naar de heersende normen; vroeger keken zij daarvoor
naar de Kerk, nu naar de progressieve opinieleiders in
de media. Dus toen Yves Desmet zijn banvloek tegen Urbain
Vermeulen uitsprak, sprong rector Oosterlinck meteen in
de houding: tot uw orders, eminentie. De dag zelf nog
verklaarde hij aan de VRT dat hij een sanctie zou treffen,
en dat is vijf maanden later dus een officiële blaam
geworden.
Dit verloop van zaken illustreert een belangrijk feit
omtrent het huidige opinieklimaat: bij gebrek aan de formele
structuren van een diktatuur kunnen de totalitair-linkse
opinieherders, die tenslotte slechts een kleine minderheid
vormen, hun wil maar opleggen via de medeplichtigheid
van quislings uit de bourgeoisie. Middels verbale terreur
kunnen de blaffende herders deze schaapjes gemakkelijk
in de gewenste richting drijven. De brave burger die gezien
heeft hoe elke uit-stekende nagel platgeklopt wordt, en
hoe anderen in hun professioneel en sociaal leven beschadigd
geworden zijn door beschuldigingen van "racisme",
hoedt er zich dan wel voor om uit de pas te lopen. Sterker,
om zich helemaal in te dekken tegen het risico van beschuldigingen,
gaat hij zelf actief mee de voorgeschreven opinie opleggen
en de afwijkende meningsuitingen aan de kaak stellen en
bestraffen. Vandaar dus de terechtwijzing van Vermeulen
door de rector.
De geblameerde professor wendde zich vervolgens tot de
beroepscommissie van de KUL, bestaande uit collega's professoren.