(9 maart 2001; kortere versie verschenen in het maandblad Nucleus,
Brugge, maart 2001)
Van je vrienden moet je 't hebben. De pleitbezorgers van de islam in
politiek en media hebben zich nu jarenlang zo uitgesloofd om ons ervan
te overtuigen dat de islam ruimdenkend en verdraagzaam is, en daar
komen hun vrienden moslims metterdaad die flutverhaaltjes omverblazen.
Zeg maar: dynamiteren. Want er was dynamiet nodig om de hemeltergende
afgodsbeelden van Bamian in midden-Afghanistan kapot te krijgen. De
profeet zou met die beelden grote moeite gehad hebben, maar Allah
heeft zijn getrouwen inmiddels het dynamiet geschonken, en daar maken
ze goed gebruik van: na de welbekende bomauto's is er nu zelfs een
onbloedige toepassing gevonden, één waarbij alleen stukken onnozele
rots desintegreren.
De leer van de islam is op dit punt volkomen ondubbelzinnig: het is
verboden dieren of mensen af te beelden, en dit des te strenger als er
een evidente bedoeling is om de afbeelding als kultusvoorwerp te
gebruiken. De islam definieerde zichzelf van bij zijn ontstaan als een
beweging tegen de "afgoderij", welke zeer konkreet gestalte kreeg in
de beeldenverering. Islamitische landen zijn dan ook zeer arm aan
figuratieve beelden en schilderijen. (Niet-figuratieve kunst mag wel,
zie bv. de meetkundige vormen die vele moskeemuren verfraaien;
overigens was Matisse's verblijf in Marokko en overname van
islamitische motieven één van de bronnen van de moderne "abstrakte
kunst".) Het weinige dat toch voorhanden is, blijkt doorgaans het werk
van niet-moslims te zijn, bv. de "Mogol-schilderkunst" die in feite
door hindoes gemaakt werd. De geviseerde beelden in Afghanistan
bestonden alleen nog omdat ze ofwel tot recent onder de grond
verscholen lagen (de meeste museumstukken) ofwel gewoon te groot waren
voor premoderne technologie om ze kapot te krijgen, bv. de rotsbeelden
in Bamian en Ghazni, die overigens wel al behoorlijk geschonden waren.
De VRT (Wandelgangen) haalde er een akademisch ingeplante moslim bij
om de islam wit te wassen. Nee, zei drs. Sami Zemni van de UG, de
islam verbiedt beelden niet, althans niet bij niet-moslims. Kijk maar
naar de faraonische monumenten, zei hij: die zijn er gedurende eeuwen
islambewind blijven staan.
Even de puntjes op de i: de faraonische monumenten hebben de eeuwen
getrotseerd in rotskelders of onder hopen zand, veilig aan het oog van
de moslims onttrokken totdat Europese geleerden ze gingen opgraven.
Anders hadden ze het zeker niet gehaald. Gelukkig kwamen ze boven
water (nou ja, boven het zand) in de periode van Europese hegemonie,
toen de moslims zelf hun islam minder ernstig namen en ondermeer met
het nationalisme flirtten, dat alle aandacht voor het nationale pre-islamitische
verleden verwelkomde. De sfinks is, net zoals de boeddhabeelden van
Bamian (die door Mogolkeizer Aurangzeb met kanonnen beschoten werden),
van haar aangezicht beroofd, niet door Obelix maar door de
islamitische Mameloeken. Begin jaren '90 waren er meerdere aanslagen
tegen faraonische tempels in Karnak en Loeksor; alleen met ijzeren
repressie tegen het islamisme heeft de regering er het nationaal
erfgoed kunnen vrijwaren. In landen als Syrië en Egypte mogen
kristenen wel binnen hun kerk hun ikonen vereren, maar in het openbaar
betrachten zij best de uiterste diskretie in het vertoon van
religieuze symbolen, al dan niet figuratief. In Saoedi-Arabië zijn
deze radikaal verboden, zelfs binnenskamers.
Net zoals de niet-islamitische mensengemeenschappen, bv. de
Arameessprekende kristenen in Zuidoost-Turkije, zijn sommige
boeddhistische monumenten in Afghanistan en elders (bv. Boroboedoer in
Indonesië) eeuwenlang beschermd geweest door hun afstand tot de
moslim-bevolkingscentra. Terwijl grote kloosters en universiteiten
zich veelal aan de rand van steden bevonden, en de eerste doelwitten
van de islamitische moord- en sloopzucht vormden, zochten kleine
groepen monniken de eenzaamheid op, vaak letterlijk in holen en
spelonken. Soms leenden de berglandschappen waar zij zich terugtrokken
zich ook tot merkwaardige beeldhouwkunst, zoals dus in Bamian. Maar in
de afgelopen eeuw nam de bevolkingsdruk toe, modern transport over
nieuwe wegen ontsloot zelfs de meest onherbergzame gebieden, en de
bescherming van de *splendid isolation* verdween. Vandaag zijn de
kristenen volledig verdwenen uit hun dorpen in Zuidoost-Turkije, het
is nu de beurt aan Iraaks Koerdistan om hen weg te pesten, en weldra
zullen deze gemeenschappen volledig naar het Westen overgeplant zijn,
zodat de moslims WestAzië voor zich alleen hebben. De overblijfselen
van de ooit glorieuze boeddhistische aanwezigheid in Afghanistan
ondergaan nu hetzelfde lot. Alleen krijgen zij zelfs niet de optie van
de vlucht.
Losgeld
Het Perzische woord boet, "afgodsbeeld", komt van Boeddha. Daarvan
afgeleid is boetparast, "beeldenvereerder", "afgodendienaar"; maar ook
boetsjikan, "afgodenbreker". Terwijl de zoroastriërs of "vuuraanbidders"
(aatisjparast) in het Perzische rijk in het algemeen geen
beeldenkultus kenden, trof het boeddhisme met zijn Boeddha's in alle
maten de moslimveroveraars als de afgoderij bij uitstek. Van
Centraal-Azië tot Indonesië hebben zij het boeddhisme redelijk grondig
vernietigd. Bij deze verwoesting hadden zij ekonomisch niets te winnen,
zij deden dit wel degelijk uit ijver om de geboden van de islam in de
praktijk te brengen en aldus hun plaats in de hemel waard te worden.
Echter, toen de Taaliban hun plan tot vernietiging van de beelden
bekendmaakten, zeiden sommige kommentatoren: "O, dat is maar een
manier om aan geld te geraken. Ze spekuleren erop dat kapitalisten uit
Japan, Taiwan of Californië zullen aanbieden om alle bedreigde beelden
vrij te kopen, zelfs om met de nieuwste technologie de reuzenbeelden
weg te voeren. Die religieuze retoriek is maar een dekmantel om hun
staatsfinanciën aan te zuiveren." U kent het marxistische verhaaltje
wel: alleen ekonomische drijfveren zijn echt, al de rest (godsdienst
inbegrepen) is maar kamoeflage. Wel, ook deze welweters zijn door de
Taaliban in de steek gelaten, zelfs ernstig in hun hemd gezet.
Zij zeggen al jaren dat het Israëlisch-Palestijns probleem morgen
opgelost kan zijn zodra de Palestijnen maar begrijpen dat
investeringen en welvaart om het hoekje liggen wachten als er vrede
komt. Maar de Palestijnen zetten hun dag na dag een neus met
straatgeweld dat alle investeerders en toeristen op afstand houdt. Nu
blijken ook die Taaliban hun religie ernstiger te nemen dan alle
ekonomische belangen en afkoopsommen bijeen. Fier toonden zij de lege
glazen kasten in de musea. De regeringen van ondermeer India en Sri
Lanka waren tot alles bereid om het erfgoed te redden, kunstminnende
kapitalisten uit New York deden gouden voorstellen, en zelfs Iran (dat
naar normalizering van zijn diplomatieke positie hengelt) wilde een
geste doen om deze deuk in het islamblazoen te voorkomen. Maar de
Taaliban haalden voor alle offertes hun neus op. Wat een spijtige
verrassing toch.
De Taaliban toonden zich nochtans alleen maar waardige opvolgers van
hun voorzaat Mahmoed, heerser over de Afghaanse stad Ghazni. Bij een
inval in India (begin 11de eeuw) verwoestte hij de beroemde
Soomnaath-tempel in Goedjaraat, en toen plaatselijke hindoes hem een
grote goudschat aanboden in ruil voor het godenbeeld dat hij ging
verbrijzelen, antwoordde hij vol minachting: "Op de Dag des Oordeels
wil ik bekend staan als een afgodenbreker, niet als een
afgodenverkoper." De geschiedenis van het islamitisch ikonoklasme kent
vele dergelijke episodes. Zo betaalden de kristenen van het pas door
de moslims veroverde Damaskus decennia lang steeds grotere losgelden
om hun kathedraal te mogen behouden, maar uiteindelijk deelde de
kalief hun mede dat hij de moslimdruk niet langer kon weerstaan, en
liet hij het gebouw tot een moskee omvormen, de bekende
Oemmajadenmoskee.
Echte moslims zijn ook ongevoelig voor het UNESCO-argument van "historische
waarde" of "esthetische kwaliteiten". Tenslotte gaat het om "erfgoed"
uit de pre-islamitische "tijd van onwetendheid", relikt van de
afgoderij van heidense voorouders die inmiddels voor eeuwig in het
hellevuur gedompeld zijn. Toen Mahmoed van Ghazni het reusachtige
tempelkompleks van Mathoera zag, stak hij een lofrede af op deze
tempels, "zo sterk als het geloof van de gelovigen", en die "zelfs
engelen nog in geen honderden jaren gebouwd zouden kunnen hebben". Ja,
hij kon grote kunst en architektuur best appreciëren,-- en toen beval
hij het hele boeltje met de grond gelijk te maken.
Ook het argument dat de Boeddha's van Bamian niet langer als
kultusvoorwerp fungeren, is niet geldig. Roger Marijnissen bezweert de
Taaliban dat "de rotsboeddha's niet vereerd worden" (DS 12-3-2001),
implicerend dat het best OK is om de bijl te zetten in Boeddha-beelden
(en beelden van de Maagd Maria, Sjiva enz.) die wel het voorwerp van
devotie zijn, maar dat zulks hier toevallig niet van toepassing is.
Ten eerste is dat niet waar, want Japanse toeristen doen wel degelijk
devoties voor antieke Boeddha's. Toen ik in Benares woonde, bracht ik
de vrije zondagmiddag regelmatig door in het Hertenpark van Saarnaath,
waar de Boeddha zijn eerste preek gaf. Het was er een af- en aanrijden
van bussen met bezoekers uit Japan, Korea, Taiwan, heel stereotiepe
toeristen met soft-drinks en fototoestelletjes. Tot ze oog in oog
kwamen met de Boeddhabeelden en andere heilige voorwerpen:
onmiddellijk de handen opeen, het hoofd gebogen, een en al devotie.
Het ligt voor de hand dat de Japanse toeristen die de Afghaanse
ekonomie er bovenop zouden kunnen helpen, ook voor de plaatselijke
Boeddha's in zondige afgoderij zullen vervallen. Dus, voor hun eigen
zieleheil: de beuk erin!
Ten tweede vormden de beelden van Bamian een permanente uitnodiging
aan de Afghaanse moslims om hun voor-islamitisch erfgoed te
herontdekken en de islam ontrouw te worden. Ten derde is het geen
enkel bezwaar dat verbrijzelde beelden door niet-moslims geëerd werden:
zoals we zullen zien, vernielde ook Mohammed immers funktionerende
kultusvoorwerpen of -plaatsen van andersgelovigen.
De "echte" islam
Voor de honderdste keer zijn we getrakteerd op het verhaaltje dat de
islam die we in het nieuws te zien krijgen, die van de bomaanslagen en
de afgehakte handen en de opgesloten vrouwen en de verbrijzelde
Boeddha's, niet de "echte" islam is. Ook moslimlanden die hun pre-islamitische
erfenis goed verzorgen, hetzij om toeristische hetzij om
nationalistische redenen, bezwoeren de Taaliban dat ze op het punt
stonden een "on-islamitische" misstap te begaan. Het is verheugend dat
moslims een dwaas islamitisch gebod ontrouw worden, en begrijpelijk
dat zij uit angst voor represailles een pseudo-islamitische
rechtvaardiging voor hun modernisme verzinnen (leugentjes om bestwil
van het type: "Mohammed was de eerste feminist", of: "De Koraan is
tegen de veelwijverij"), maar het is goed fout als Westerse
intellektuelen zulke smoesjes in alle ernst gaan herhalen. Bij ons
noemde Roger Marijnissen de beeldenstorm in Afghanistan "hemeltergend
absurd", want de beeldenstormers zouden een koranisch vers tegen de
beeldenvereerders "uit haar historisch tekstverband rukken". Volgens
Michel Magits (DS 12-3-2001) zou het bovendien om "een foute
interpretatie" van de Koraan gaan. Het tegendeel is waar: de Taaliban
kennen en begrijpen zowel de Koraan als het volstrekt ondubbelzinnige
tekstverband zeer goed, veel beter dan al onze experts die hun nu de
les willen lezen. Het tekstverband van de Koraan is de loopbaan van de
Profeet, wiens gedrag als normatief voorbeeld en als hoeksteen van de
sjari'a geldt.
Volgens Sami Zemni geldt het beeldenverbod alleen voor moslims zelf,
en moeten diezelfde moslims het gebruik van beelden in de devotionele
praktijk van andersgelovigen respekteren. Dat zou hij dan toch beter
aan de moslims zelf vertellen, in plaats van aan ons. Hij zou daar bv.
Mahmoed van Ghazni moeten van overtuigen, of, om helemaal tot de kern
van de zaak te komen, de profeet Mohammed in eigen persoon. Het
verbaast me steeds weer hoe allerlei Westerse oningewijden de islam
beter beweren te kennen dan de echte insiders, zoals precies de
Taaliban, de "studenten" (Arabisch Taalib, met de Perzische
meervoudsuitgang an, etymologisch identiek aan Nederlands -en) van de
Pakistaanse Koraanscholen voor weeskinderen uit de Afghaanse oorlog
tegen de Sovjet-Unie. Hun hele mentale horizon bestaat uit de Koraan,
het voorbeeld van de Profeet en de Sjari'a-jurisprudentie. Het is
ontzaglijk pretentieus van Westerse kommentatoren om te beweren dat
zij de islam beter kennen dan de Taaliban.
De belangrijkste basis van het islamitisch recht, in de praktijk nog
belangrijker dan de Koraan, is het modelgedrag van de "volmaakte mens",
Mohammed. Om die reden lijkt mij de tegenwoordig gewraakte benaming "mohammedaan"
nog altijd een akkurate beschrijving van de moslim, nl. iemand wiens
leven draait om het voorbeeld van de mens Mohammed, meer nog dan dat
het leven van een kristen om het voorbeeld van de godmens Kristus
draait. Maar laat dat passeren, en laten we eens kijken wat precies
Mohammeds voorbeeldgedrag is met betrekking tot religieuze
beeldhouwkunst.
Om bij het begin te beginnen: volgens de hagiografieën van de Profeet
ging zijn geboorte gepaard met de spontane implosie van een aantal
bekende godenbeelden, ondermeer in de Kaäba, het belangrijkste
heiligdom van de heidenen van Mekka. Het heilig vuur in de
belangrijkste tempel van Perzië, dat al duizend jaar gebrand had,
doofde uit. Vanaf zijn verwekking was Mohammed de vernietiger van de
bestaande kultische praktijken der niet-moslims.
Pas toen de Profeet vanaf 622 stapsgewijze de macht greep in Medina en
vervolgens in heel Arabië, kon hij tot daadwerkelijk ikonoklasme
overgaan. De eerste incidenten betreffen bekeerlingen die hun nog niet
bekeerde familieleden treiteren door hun beelden te vernielen. Zo
gooide de zoon van Amr ibn al-Djamoeh diens houten beeld van de godin
Manaat in de beerput. In Qoebaa ging een zekere Sahl ibn Hoenaif ibn
Waahib 's nachts de houten godenbeelden stelen om ze als brandhout te
gebruiken.
Over de voorgeschiedenis van de eerste moskee zeggen de bronnen niets,
maar de tweede moskee, de eerste in Mohammeds hoofdstad Medina, werd
gebouwd op een heidense begraafplaats, nadat deze grondig onteerd was:
de Profeet liet de lijken opgraven, de belendende tempeltjes afbreken
en het heilig bos van dadelbomen omhakken. Hiermee was de klassieke
procedure vastgelegd: de meeste historische moskeeën, zeker de
hoofdmoskeeën in steden, zijn bijna allemaal op (of met de brokstukken
van) niet-islamitische kultusplaatsen gebouwd. Zo staat de Mezquita,
de beroemde moskee van Cordova (inmiddels tot kathedraal omgevormd
maar nu weer opgeëist door de snel groeiende moslimgemeenschap in
Spanje), op de plaats van een vroegere kerk, die overigens zelf weer
een heidense Romeinse tempel vervangen had.
Een ander kruciaal moment was de inname van Mekka (630) en met name
van de Kaäba. Mohammed en zijn neef en schoonzoon Ali vernielden
eigenhandig de 360 godenbeelden in en rond de kubusvormige tempel.
Alleen de vormeloze zwarte steen liet hij op zijn plaats; hij bedacht
hem zelfs met een kus. Sommige volgelingen vonden dit ook een vorm van
afgoderij, maar wie zou Mohammed hebben durven terechtwijzen? Islam-apologeten
rechtvaardigen deze beeldenstorm met de bewering dat de heidenen de
Kaäba zelf gestolen hadden, aangezien deze door Abraham gebouwd was
geweest. Nu, dat is de typische agressieve air van verongelijktheid
die we kennen uit de fabel van de wolf die tegen het schaapje dat
stroomafwaarts stond te drinken, zei: "Jij maakt mijn water troebel."
Er zijn tal van pre-islamitische inscripties gevonden in Arabië, en
geen enkele blijkt iets van Abraham of zijn zoon Ismaël (door Mohammed
opgeëist als stamvader van de Arabieren) te weten, terwijl de enige
geschreven bron die hen wèl vermeldt, namelijk de Bijbel, hen nooit in
Arabië laat komen. De Kaäba was wel degelijk een heidens heiligdom dat
door Mohammed met geweld tot zijn hoofdmoskee omgevormd is.
Na de inname van Mekka volgen de vernielingen van godenbeelden elkaar
in snel tempo op. Een merkwaardig element dat vaak terugkeert is de
vermelding dat uit een gebroken beeld (ondermeer van al-Oezza, de
planeet Venus, die samen met al-Laat en Manaat genoemd wordt in de
Duivelsverzen) een negerin tevoorschijn kwam, blijkbaar de godheid
resp. boze geest die in het beeld woonde. Een zwarte huidskleur werd
steevast met ongeloof geassocieerd, bv. in de Koranische voorspelling
dat de ongelovigen op de Dag des Oordeels een zwarte, en de gelovigen
een witte huid zullen krijgen.
De burgers van Mekka kregen bevel om ook binnenshuis geen beeld
ongebroken te laten. Stammen die zich uit opportunisme bij de
zegevierende profeet aansloten, moesten eerst hun beelden vernietigen.
Op dat punt, maar dus ook alleen daar, zou het exkuus kunnen gelden
dat het tenslotte zelfverklaarde moslims waren aan wie beeldenverering
verboden werd. Maar intussen ging Mohammed verder met het breken van
beelden en kultusplaatsen van mensen die helemaal geen moslim wilden
worden. Het was in funktionerende tempels dat de moslims de beelden
van ondermeer al-Oezza, Hoedhail, Dhoe'l Kaffain, Fils, Roedaa, al-Laat
en Manaat kapotsloegen. Zij verjoegen ook de priester van de
kristelijke kerk te Jamaama, verwoestten de kerk, reinigden de plaats
met water, en bouwden er een moskee. Islam-apologeten wijzen er voor
Westers publiek graag op dat kristenen doorgaans beter getolereerd
werden dan heidenen, maar dit voorval toont aan dat ook kristelijke
kultusplaatsen niet veilig waren voor de geloofsijver van de Profeet.
En zijn gedrag is maatgevend voor elke moslim tot het einde der tijden.
Al zijn er halfslachtige moslims en moslim-regeringen die om
ekonomische redenen de overblijfselen van ongelovige kulturen bewaren
en ten toon stellen, echt overtuigde moslims weten wat hun te doen
staat: vernietig de afgoden. Wat de Taaliban doen is niets anders dan
navolging van de profeet. Als hun daden onislamitisch zijn, dan ook
die van Mohammed zelf, die volgens onze betweters dus een slecht
moslim zou geweest zijn. Moeten we hun geen proces aandoen wegens
belediging van de Profeet?